Op het prikbord kunnen leden, vrienden of buitenstaanders zaken aan de orde stellen die hen bezig houden. Stuur uw bericht, gedicht en/of foto, of uw reactie op een bericht naar . Berichten van commerciële aard of kwetsende berichten worden niet opgenomen!

Onze ‘gesneden beelden’

De Woudkapel                                                                                          zondag 2 april 207

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Jan Siemons

 

liturgie

welkom, kaars, stilte etc.

zingen                                                       NLB 362 (Hij die): 1 en 2

inleiding op de dienst

zingen                                                       NLB 362: 3

inleiding op de schriftlezing

schriftlezing                                          Exodus 20

orgel / piano

overweging

stilte

improvisatie

zingen                                                       BB 18 (Gij gaat voorbij)

gebed

Onze Vader

zingen                                                       NLB 416 (Ga met God)

zegen

 

inleiding op de schriftlezing

Vanmorgen lees ik met u de Tien Geboden uit het boek Exodus. Met een aantal van u heb ik deze regels vorig jaar gelezen in de gespreksgroepen over dit onderwerp. En onze belangrijkste ontdekking daarbij was dat die tien regels geen morele handwijzers zijn. Anders dan wij in eerste instantie geneigd zijn te denken, geven zij geen richting aan hoe wij worden verondersteld ons te gedragen. Wat zij daarentegen wel doen, is onder woorden brengen wat werkelijke vrijheid is. Hoewel het ons tijd kostte om dat tot ons door te laten dringen, kunnen we zeggen dat die Tien Geboden tien definities zijn van wat werkelijke vrijheid behelst. En vrijheid is in dit verband natuurlijk niet dat je maar in het wilde weg doen kunt wat er in je op komt. Maar hier is vrijheid vooral dat jij je vrij verhoudt tot alles wat je voelt en denkt, dat je daar niet van schrikt of bang voor bent.

 

Die Tien Geboden staan, zoals gezegd, in het boek Exodus. En zonder te overdrijven kan ik zeggen dat dat een van de grootste bevrijdingsverhalen uit de wereldliteratuur is. Dat boek vertelt hoe dat gaat, als een mens zich losmaakt van alles wat hem angst inboezemt en kleinhoudt en waaraan hij verslaafd is. Dat wordt verbeeld met het leven in het Egypte van de Farao. Op een gegeven moment wint zijn vertrouwen het van zijn angst. Dan staat hij op en gáát hij. Hij laat zijn cynisme achter zich. Zijn fantasie, de droom over hoe het óók kan zijn wordt leidend. Hij gaat achter de muziek aan op weg naar dat land waarvan hij al zijn hele leven droomde.

 

Onderweg trekt hij door een woestijnlandschap. Het valt allemaal niet mee. En als dan, ergens onderweg, de moed hem in de schoenen zinkt en alles uitzichtloos lijkt te zijn geworden omdat hij niet meer weet hoe het in godsnaam verder moet, vat de verteller nog één keer samen waar het allemaal om begonnen is. Hij definieert die volkomen vrijheid en vat haar samen in tien regels.

 

Hoewel ik ze alle tien zal lezen, zal ik het zo meteen in mijn overweging alleen over de tweede van de tien hebben: het verbod op het maken van ‘gesneden beelden’. Ik houd erg van deze regels en zou ze graag alle tien met u bespreken maar daarvoor is vanmorgen geen tijd. Wie weet wat de toekomst voor ons in petto heeft.

 

schriftlezing

Exodus 20: 1 Toen sprak God al deze woorden: 2 Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. 3 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 7 Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt. 8 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; 9 zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. 11 Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. 12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

 

overweging

Twee weken geleden hebben we met een aantal mensen een door de Woudkapel georganiseerde excursie naar de Rotterdamse Kunsthal gemaakt. Daar zagen we de expositie van ‘hyperrealistische schilders’ onder de letterlijk bezielende leiding van de kunsthistoricus Alwin Kroese. Deze Alwin Kroese verdiept zich ieder jaar in een aantal lopende tentoonstellingen om zich vervolgens beschikbaar te stellen als rondleider. Vorig jaar zagen we onder zijn leiding de Turner tentoonstelling in Museum de Fundatie in Zwolle en de tentoonstelling van werk van Jan Weissenbruch in Teylers Museum in Haarlem. Twee weken geleden dus die hyperrealisten in Rotterdam. Het is een tentoonstelling waar ik nooit naar toe zou zijn gegaan als Alwin Kroese ons daartoe niet had aangezet. (foto 2)

 

Ik sluit niet uit dat u, net zoals dat voor mij gold, niet erg bekend bent met deze kunststroming. Daarom zal ik er kort iets over vertellen. (U ziet al een hyperrealistisch schilderij op het scherm) Hyperrealisten schilderen zo nauwgezet mogelijk na wat er op een foto te zien is. Dat is een voorwaarde, dat het schilderij niet op de werkelijkheid gebaseerd is maar op een foto van die werkelijkheid. Wie voor een hyperrealistisch schilderij staat, zal denken naar een foto te kijken. De schilder wil de kijker als het ware dwingen om echt te kijken. Wat ziet hij? Is het de werkelijkheid die hij ziet? Of is het een foto van diezelfde werkelijkheid? Of inderdaad een schilderij? Een foto lijkt in eerste instantie een objectief beeld van de werkelijkheid te geven maar klopt dat wel? Het kan zijn dat die werkelijkheid gemanipuleerd is. Dat is tegenwoordig niet ondenkbaar. Maar bovendien nemen wij door de overvloed aan beelden om ons heen lang niet altijd meer goed waar. De fotografie (maar zeker de digitale fotografie) roept de vraag op wat nog echt is en waar wij ons in de luren laten leggen. (foto 3)

Maar bovendien laat de tentoonstelling zien hoezeer ons kijken bepaald wordt door wat wij verwachten of denken te zien. Om daarvan een tweetal voorbeelden te geven: een van de tentoongestelde schilderijen laat de skyline van Londen zien. Maar de kijker realiseert zich dat er iets niet klopt. Aanvankelijk is niet duidelijk wat dat is. Het ziet er allemaal zo volstrekt waarheidsgetrouw uit. Maar als je wat langer kijkt, valt de vlakheid van het schilderij op. Er is geen diepte geschilderd, geen perspectief. De foto die de schilder gebruikte is gemaakt met een eenvoudig toestel dat geen diepte kan vastleggen. De schilder heeft de foto uiterst nauwkeurig nageschilderd maar die foto zag een andere, een veel vlakkere werkelijkheid dan het oog ziet. (foto 4)

 

Hetzelfde gebeurt op een schilderij dat gebaseerd is op een foto die gemaakt is met een groothoeklens. Dat is helemaal vervreemdend. Want u en ik, zij zien de werkelijkheid anders. De vraag die opkomt bij wie op de tentoonstelling rondloopt is dan wie of wat de werkelijkheid ziet zoals deze eigenlijk is? Het objectieve fototoestel? Of ik? Of zie ik vooral mijn interpretatie van de werkelijkheid? Of dat wat ik wil of denk te zien? Die in eerste instantie zo toegankelijke schilderijen stellen in tweede instantie grote vragen aan de beschouwers.

 

Al rondlopend moest ik denken aan het bekende schilderij van de Belgische schilder René Margritte uit 1929 waarop hij heel gedetaillerd en realistisch een pijp heeft geschilderd. (foto 5). Daaronder schreef hij: ceci n’est pas une pipe (dit is geen pijp). Ik was een kind toen ik dat schilderij voor het eerst zag afgebeeld en ik herinner me nog dat ik het toen niet begreep wat ermee bedoeld kon zijn. Want wat daar te zien was, was toch gewoon een pijp? Ik vermoed dat mijn ouders zullen hebben geprobeerd mij duidelijk te maken wat er aan de hand was, maar dat drong niet erg tot mij door. Pas veel later begreep ik dat er een levensgroot verschil is tussen een pijp en de afbeelding van een pijp. Wie naar het schilderij van Margritte kijkt, kijkt niet naar een pijp maar naar een afbeelding ervan. En dat is dus wat anders. Wat zij zien is de afbeelding (of liever: naar de verbéélding) van een pijp. Dat wij er een pijp in zien komt omdat de afbeelding overeenkomt moet hoe wij ons een pijp voorstellen. Wij moeten het beeld dat wij van de werkelijkheid hebben niet verwarren met de werkelijkheid zelf.

 

Ik vermoed dat dit is waar het ook in dat tweede gebod over gaat: Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten en die barmhartigheid doe duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

 

Immers, niets is wat het lijkt. Dat geldt voor wat we zien op een schilderij (dat lijkt een foto te zijn maar het is het niet. Het lijkt een pijp te zijn maar dat is het niet. Het lijkt de skyline van Londen te zijn maar dat is het niet) maar dat geldt evenzeer voor wat wij in elkaar menen te zien en te herkennen. Wanneer wij gaan geloven in de beelden die wij van elkaar en van de werkelijkheid om ons heen hebben, wanneer wij te gemakkelijk gaan geloven dat wij zien wat wij denken te zien, dan houden wij onszelf niet alleen voor de gek, wij houden onszelf ook gevangen in een perceptie van de werkelijkheid die wel eens op gespannen voet zou kunnen blijken te staan met wat hoe die werkelijkheid uiteindelijk in elkaar zal blijken te steken.

 

Niets van wat ons omringt en niemand die wij kennen of tegenkomen valt samen met het beeld dat bij ons opgeroepen wordt.

 

De laatste jaren ben ik mij in toenemende mate bewust geworden van nog een ander voorbeeld van deze zelfde gedachte. En die houdt verband met de rol die de verschillende media in onze levens spelen. In niet onbelangrijke mate wordt het beeld dat wij hebben van de wereld om ons heen bepaald door wat wij daarover in de kranten en op die televisie lezen en zien. Dat betekent dat de selectie van de verschillende redacteuren van wat nieuws is en wat niet, wat zij ons voorschotelen en wat niet, grote consequenties heeft. De media zoomen, bijna per definitie, in op de uitzonderingen. Die beschouwen zij als nieuwswaardig. Maar als wij alleen maar uitvergrootte uitzonderingen krijgen voorgeschoteld, bestaat het gevaar dat wij gaan denken dat zij de regel zijn. Zo vormen wij ons, tegen wil en dank, een beeld van de wereld om ons heen dat gebaseerd is op hoe die wereld zich niet dan bij hoge uitzondering vertoont.

 

Het is een beetje zoals een arts die zou kunnen gaan denken dat iedereen ziek is. Of een advocaat die het idee heeft dat iedereen met iedereen over hoop ligt. Maar zo is het natuurlijk niet.

 

Zeker na de weken die voorafgingen aan de verkiezingen zouden wij kunnen denken dat onze samenleving van geen kanten deugt. En na aanslagen zoals die vorige week in Londen plaatsvonden kan het vermoeden rijzen dat de buitenwereld ronduit onveilig is. Ik wil niet zeggen dat wij in een ideale en in alle opzichten overzichtelijke wereld leven maar veel reden om bang te zijn hebben we niet. Ons eigen land is uitermate goed georganiseerd. En daarbinnen, maar ook daarbuiten, is het risico dat ons zoiets als een aanslag treft bijna verwaarloosbaar klein. Maar desondanks zijn wij bang. Omdat het beeld van werkelijkheid dat de media ons voorschotelen niet samenvalt met hoe de werkelijkheid in feite is.

 

Daarom komt het erop aan dat wij ons erin oefenen het onderscheid te maken tussen het beeld dat wij hebben van de werkelijkheid en die werkelijkheid zelf. Wij moeten onszelf voortdurend kritisch bevragen of wij zien wat wij denken te zien. Als wij dat niet doen, komen wij terecht in de gevangenis van onze eigen verwachtingen en projecties. Met name dat tweede gebod is een krachtige uit om kritisch te staan tegenover het beeld dat wij ergens van hebben. Of dat nu de politieke werkelijkheid is of een foto of schilderij, of een mens die wij kennen uit onze omgeving of uit de krant.

 

Misschien moet ik in dit verband nog een enkel woord wijden aan de laatste regels van dat tweede gebod: Gij zult u voor die beelden niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. Deze regels roepen, zo heb ik gemerkt, vaak weerstand op omdat zij ons doen denken aan een strenge, bijna boosaardige of wraakzuchtige god. Maar dat zal oorspronkelijk niet bedoeld zijn. Waar het hier om gaat is (die laatste regel van dit tweede gebod doet niet anders dan onze werkelijkheid beschrijven), is dat wij, als wij behept zijn met een verwrongen beeld van de werkelijkheid, wij daarmee niet alleen onszelf tekort doen maar ook onze kinderen en zelfs onze klein- en achter kinderen. Voorbeelden daarvan zijn niet moeilijk te geven. Families waarin iets vreselijks is voorgevallen, bij voorbeeld in de Tweede Wereldoorlog, kunnen daar tot op vandaag last van hebben. Vraagt u dat maar aan uw joodse buren. Of aan die vriend die een vader of grootvader had die lid is geweest van bij voorbeeld de NSB. Een dergelijk trauma heeft geleid tot een manier van in het leven staan, tot een manier om de werkelijkheid te zien en te ervaren die tot in de derde of zelfs de vierde generatie kan duren. Zoals het omgekeerde ook het geval is. Onbevangen vrijdenkende ouders hebben een grote kans op onbevangen en vrijdenkende kinderen.

 

Onvrijheid schuilt overal. Maar misschien wel vooral als wij dreigen te capituleren voor de beelden die wij ons vormden. Daarom is bij voorbeeld zo’n tentoonstelling als er op dit moment te zien is in de Rotterdamse Kunsthal zo relevant. En daarom klinkt de roep om alert te zijn in die Tien Geboden zo krachtig.

 

Létterlijk onbevangen de werkelijkheid beschouwen en meer of minder vastgeroeste beelden ontmaskeren. Daartoe zijn wij uitgenodigd, ja, ópgeroepen. Want wie daartoe het vertrouwen vindt, zal overweldigd worden door zowel de schoonheid, de samenhang als de broze tederheid van wat ons omringt.

Amen

 

gebed

In de stilte van dit moment

zoeken wij de stilte in onszelf.

Dat is lang niet altijd eenvoudig

want ons hele leven doet onophoudelijk

zijn galm en echo horen;

niet alleen het nu maar ook wat was

en dat waarvan wij hopen of vrezen

dat het komen zal,

speelt ons parten in de stilte.

En toch zoeken wij haar

en leggen wij ons oor te luister

om te horen wat zij ons te zeggen heeft.

Heeft zij een antwoord

Op ons gemis, ons verdriet,

onze onrust en onze haast?

Spreekt de stilte

Van wat er achter de horizon van ons bestaan

Te verwachten valt?

Helpt zij ons

aan nieuwe hoop en vers vertrouwen,

aan ruimte en opademende vrijheid?

In de stilte van dit moment

zoeken wij de stilte in onszelf.

Amen

God in de ogen kijken

Woudkapel Bilthoven                                                                                 zondag 5 februari 2017

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist:Jan Siemons

 

Inleidende tekst

Wanneer wij de omvang

en de diepte

van onze vragen, onze pijn,

maar ook van onze vreugde,

onze hoop en ons verlangen,

wanneer wij dat allemaal

ongefilterd toe zouden laten,

dan verdrinken wij er in.

 

Datzelfde geldt voor

onze veeleisende omgeving:

ook de vragen, de eisen die zij stelt,

de claims die er op ons gelegd worden,

wij filteren ze,

ontkennen of negeren ze,

want anders zouden wij eronder bezwijken.

 

De pijnlijke verdeeldheid en de strijd

in deze wereld,

en de zo dikwijls vruchteloze roep

om recht en gerechtigheid;

wij sluiten onze oren ervoor

om niet ten onder te hoeven gaan

in het moeras

van teleurstelling en frustratie.

 

Wij zijn ons ervan bewust dat wij

geen andere keuze hebben

al gaat onze onverschilligheid

en afweer en botheid

eigenlijk altijd ten koste

van onze verbondenheid

met onze diepste

en meest waarachtige bronnen.

Daarom reiken wij,

ook vanmorgen weer,

naar nieuw vertrouwen, naar geborgenheid

en een diep besef uiteindelijk in goede handen te zijn.

Amen

 

 

schriftlezing

Marcus 8: 27 En Jezus vertrok met zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en sprak tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? 28 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; weer anderen: Een van de profeten. 29 En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus. 30 En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken.

 

overweging

Laat ik maar meteen fors beginnen. De kerk (maar misschien moet ik zeggen: het westerse christendom) heeft een fors probleem. En ik ben bang dat dat niet zomaar even op te lossen is. Dat de christelijke traditie in onze streken met een imagoprobleem worstelt is algemeen bekend. Maar vanmorgen wil ik het met u over iets anders hebben, iets dat naar mijn gevoel dieper grijpt. En dan bedoel ik dat de kerk zo langzamerhand een taal spreekt die elders niet of nauwelijks nog wordt verstaan en begrepen, vaak ook niet meer door mensen die ermee zijn opgegroeid.

 

Eén van de eerste keren dat dit tot mij doordrong, was na een dienst die ik in de Haagse Kloosterkerk geleid had. Ik geloof dat ik het verhaal hier en daar al eerder heb verteld. Terwijl ik handen stond te geven, kwam er iemand naar mij toe die duidelijk even wilde praten. Hij bleek te hebben gehoord dat de preken in de Kloosterkerk anders van toon waren dan hij zich van huis uit herinnerde. Nieuwgierig geworden was hij op een zondagmorgen op zijn fiets gestapt en naar de kerk gekomen. ‘Maar’, vertelde hij, ‘ik heb uw preek helaas niet gehoord. U begon de dienst met te zeggen dat ‘Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’ en toen was ik al meteen zo in de war dat ik de hele dienst nodig had om mijzelf te hervinden. Want worden kerkgangers hier verondersteld dat werkelijk te geloven, dat God deze wereld gemaakt heeft? Ik haakte meteen af.’

 

Ik zal u zeggen dat ik schrok van wat hij zei. Want hoe je het ook wendt of keert, vanuit een communicatieoogpunt is het niet wijs om al in de eerste zin iets te zeggen dat zoveel uitleg vraagt dat alleen ingewijden het kunnen verstaan. Daarom ben ik sinds dit voorval alerter geworden op wat ik zeg, wat ik bid en wat ik laat zingen. Ik vermoed dat de reden dat deze oude woorden ook hier sinds een aantal jaren nog maar mondjesmaat klinken in dezelfde sfeer gezocht moeten worden. Maar met name de liederen zijn lastig. En daar is bijna geen ontkomen aan. Want zelfs de zogenaamde moderne of eigentijdse liedteksten zijn geschreven veelal geschreven in een taal die voor een buitenstaander op zijn zachtst gezegd vaak moeilijk toegankelijk is. Er wordt een beeld van god en van Jezus opgeroepen dat maar moeilijk weerklank vindt in de tijd waarin wij leven.

 

Ik wil de schuld of de verantwoordelijkheid voor de ontstane kloof tussen onze godsdienst en de moderne mens zeker niet bij de mensen van nu leggen. Dat is niet terecht en het heeft bovendien geen enkele zin. Ik ben ervan overtuigd dat de reden van de ontkerkelijking niet is dat moderne mensen geen radar zouden hebben voor religie en spiritualiteit. Maar hun geraaktheid, hun religieuze verlangens, het rijmt niet op wat er in de kerken wordt gezegd, gedaan en gezongen. Dat ligt, zoals gezegd, voor een niet onbelangrijk deel aan de taal die daar gesproken wordt. Jonge mensen leren die taal niet meer spreken en verstaan. Maar ook de vormen die gehanteerd worden voldoen niet meer. Diensten als deze zijn, om maar even iets te noemen, voor veel jonge mensen te weinig interactief. Als zij al eens over de in hun beleving manshoge drempel van de kerk heenklauteren, dan is de toon die zij horen bovendien veelal te routineus. Het gaat allemaal te gemakkelijk: zowel de verhevenheid als de kwetsbaarheid van waar zij naar verlangen lijkt te ontbreken.

 

De vraag uit onze bijbellezing van vanmorgen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ is daarom niet de vraag naar de identiteit van ene meneer van Nazareth (mag hij als Trump alsnog zijn zin krijgt de Verenigde Staten nu wel of niet meer in?). Ervan uitgaande dat de verhalen over de Jezus uit de evangeliën een metafoor is voor onze ontmoeting met de god waar de bijbel over vertelt, is het de vraag naar het wezen en de kwaliteit van een ontmoeting met wat wij gemakshalve ‘God’ noemen. Wat is dat nu eigenlijk, die ervaring van zo’n moment waarop alles op zijn plaats valt, waarop wij onszelf hervinden en wij ons, al is het maar voor een ogenblik, niet verschuilen achter die façades die wij hebben opgetrokken? Hoe beoordelen wij een dergelijke ervaring? Nemen wij haar ernstig en weten wij haar naar waarde te schatten? Zijn het enkel verhelderende momenten of zijn het ervaringen die erom vragen als bodem van het bestaan te worden gezien? Willen wij vanuit die helderheid verder leven? Wie zeggen de mensen dat ik ben? Het is een vraag die blijkbaar actueel was in de tijd dat deze verhalen op schrift geteld werden, en het is een vraag die in onze dagen om een antwoord vraagt.

 

Iedere dinsdag schrijft Pia de Jong een column in de NRC. Zij woont sinds enkele jaren met haar gezin in Princeton in de VS en in haar columns bericht zij over wat haar opvalt in haar nieuwe woonomgeving.

In één zo’n columns vertelt Pia de Jong hoe zij tijdens een zondagmorgenwandeling verzeild raakt in het gemeenschapshuis van de Quakers in Princeton. Die Quakers zijn daar in de zeventiende eeuw neergestreken nadat zij vanwege hun geloof uit Engeland hadden moeten vluchten. Het blijkt een kale ruimte te zijn, zonder kleed op de vloer, geen schilderijen aan de wand, helemaal niets. Alleen een paar eenvoudige stoelen in een kring. Wanneer zij binnenkomt, wordt zij welkom geheten door een vriendelijke mevrouw die uitnodigend zegt dat zij daar bij elkaar komen om ‘God te ervaren’ en dat zij, als zij dat wil, aan kan schuiven. Alleen al dat maakt de nodige indruk op Pia de Jong. Zij is van huis uit katholiek maar heeft het geloof in een god mijlenver achter zich gelaten. De gedachte dat God ‘te ervaren’ zou zijn, is voor haar volkomen nieuw. Ik lees een aantal regels uit haar column voor: Ik weet niet of ik verwacht dat de geest van God zal neerdalen maar ik ben opgelucht dat niemand opstaat en iets zegt. De rust en de stilte zijn weldadig na alle geschreeuw rondom de presidentsverkiezingen, alle talking heads, het permanente bombardement van nieuwsflitsen. Hier telt alleen het moment. Ik voel de kramp in mijn rug, snuif de donkerzoete geur van hars op. Voor mijn voeten loopt een spinnetje. En dan stelt zij zichzelf de volgende verrassende vraag: Misschien is dit wel wat mensen met God bedoelen. Een besef van continuïteit dat je eeuwigheid kunt noemen. De wind die elke herfst opnieuw de bomen inklimt en de laatste blaadjes meeneemt. Nieuwe mensen worden geboren en gaan, onvermijdelijk, op zoek naar betekenis. En altijd, altijd weer de liefde.

 

Mij trof dit, toen ik het las, dat kunt u zich wellicht voorstellen. Want wat zij doet is God wegtillen uit de driedimensionale werkelijkheid waarin zij hem sinds haar jeugd had gezocht en níet gevonden. God blijkt een ervaring te zijn. Hij woont in de eenvoud, in de stilte, in de voorbij trekkende seizoenen, in die kramp in je rug en het spinnetje voor je voeten. Hoewel ik beslist niet verwacht dat haar verhouding tot wat zij geloof noemt in dat ene uurtje zal zijn veranderd, leek zij even te beseffen dat als iemand het over God heeft, het niet per se gaat over een hogere macht die ons doen en laten aanstuurt.

 

Ik vertel u nog zo’n voorbeeld waarin God ook als ervaring ter sprake kwam. Een paar weken geleden had ik een gesprek met een vriend over het al dan niet bestaan van zoiets als de vrije wil. Deze vriend heeft, om het voorzichtig te zeggen, geen in het oog springende religieuze radar en moet niets hebben van kerk en godsdienst. Maar waar het die vrije wil betrof, konden we elkaar wel vinden. Om kort te gaan, onze conclusie kwam er op neer dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen iets dat waar is omdat neurobiologen en andere exacte denkers het proefondervindelijk hebben kunnen aantonen. Zij gaan uit van de premisse dat alles wat gebeurt een oorzaak heeft en dus te verklaren is uit het eraan voorafgaande. Als zij daarin slagen, dan stellen zij tevreden de waarheid van hun premisse vast. Zij zullen het bestaan van zoiets als een vrije wil betwisten. Want wat wij doen en laten is in hun ogen het gevolg van wat wij deden en lieten. Hoogstwaarschijnlijk hebben zij gelijk en is hun veronderstelling terecht. Ik ben in elk geval niet in een positie er iets tegenin te brengen. Maar wat ik overeind houd, is dat zij een aspect van de werkelijkheid beschrijven, niet meer dan dat.

 

Het is zonder meer ook waar dat ik niet kan leven zonder het gevóel (of zelfs de overtuiging) te hebben dat ik zelf beslissingen neem. Houd ik mijzelf dan voor de gek? Dat zou natuurlijk kunnen. Maar mag ik er daarom niet meer over praten? En mag ik mijn eigen verlangen en gevoel in het algemeen niet serieus meer nemen? Ik kan toch overeind houden dat zowel de theorie van de neurowetenschapper als mijn eigen ervaring bestaansrecht hebben. Dat zij beide naast elkaar bestaan? Dat was zo’n beetje onze conclusie. Dat onze vrije wil wellicht een illusie is maar dat het leven nu eenmaal niet te leven is zonder die illusie. Wij moeten haar alleen al daarom volkomen ernstig nemen.

 

Na dit gesprek zaten we samen in de auto en ik kon het niet laten te zeggen dat ditzelfde principe wat mij betreft ook geldt voor het bestaan van God: in de fysieke werkelijkheid is hij niet te vinden en exacte wetenschappers zullen hem niet opmerken. Maar dat wil niet zeggen dat ik hem niet kan ervaren. Daarna was het lange tijd stil in de auto. Ik hoop op enig moment hierover met hem nog eens verder te praten.

 

De vraag die ik mijzelf al zo dikwijls gesteld heb, is of zo’n ervaringswerkelijkheid of ervaringsfeit van een lagere orde is dan wat zich in de feitelijk en concrete werkelijkheid aandient? Is er sprake van een rangorde? Wij hebben allemaal geleerd dat ons verstand boven ons gevoel gaat. Maar klopt dat wel? Bedriegen wij onszelf niet?

 

Op die vraag heb ik maar één antwoord kunnen vinden. En dat antwoord dient zich aan als ik goed naar mijzelf luister en kijk. Als ik echt eerlijk probeer te zijn, dan moet ik erkennen dat ik, als het erop aankomt, vooral vanuit mijn gevoel, mijn beleving en ervaring reageer. Pas daarna verzin ik de redenen waarom ik iets doe of nalaat. Maar die redenen dienen vooral om mijn handelen te rechtvaardigen. Maar dat doe ik dus pas in tweede instantie. In eerste instantie reageer ik vanuit de emotie. Ik weet niet of u dat herkent maar wat mij betreft versterkt dat besef de concurrentiepositie van de ervaring ten opzichte van wat feitelijk is enorm.

 

God bestaat en woont in onze ervaring, in onze beleving. Wie heeft geleerd zijn ervaring ernstig te nemen en ernaar te luisteren, kan, niet zelden tot zijn verwondering, God in de ogen kijken. Precies dat is waar wij onszelf hier in oefenen, in dat ernstig nemen van wat wij voelen. En van wat ons gevoel ons te vertellen heeft. Waar het daarbij op aankomt, is dat wij woorden vinden, vaak nieuwe woorden, die daarbij behulpzaam zijn, die nauw aansluiten bij wat er zich aandient én die verstaan kunnen worden door wie ons ter harte gaan.

Amen

 

gebed            van Jacqueline van der Waal

 

Ik wilde, dat mij God in d’eenzaamheid

Den smalle weg ten leven vinden deed.

De grote weg, die veilig is en breed,

Dien niemand missen kan, ligt welbereid.

 

Met afgepaste plichten geplaveid,

En meeningen, die ieder kent en weet,

Daar wandelt men gerust en welgekleed ..

Het is de weg, die ten verderve leidt.

 

Maar zoo ik –ik slechts wijs? al d’andren dwaas?-

Dien weg verlatende, mijn weg niet vond?

En nog verward door ’t waarschuwende geraas

Der scharen, niet Gods stille stem verstond?

Gods breede baan lag veilig voor mijn voeten ..

Zou, wie God opgeeft slechts zijn God ontmoeten?

Kerstdienst, met Brieven uit Raqqa

kerstWOUDKAPEL BILTHOVEN                                                               KERSTMIS 2016

voorganger               ds Pieter Lootsma

organist                    Gerard Zwart

m.m.v. Vocaal Ensemble Solis:

sopraan                    Ingrid Nugteren

altus                          Tobias Segura Peralta

tenor                         Laurent Nadal

bas                            Nathan Tax

 

liturgie

voorafgaand aan de dienst:

orgel                          Edward Elgar, Vesper-voluntaries, op.14

zingen                                  The first Noel (Engels Kerstlied)

ensemble                 Niño dios d’amor herido van Francisco Guerrero

zingen                                   O du fröhliche (Duits Kerstlied)

orgel                          improvisatie op ‘O Kerstnacht schoner dan de dagen’

 

na aanvang van de dienst:

welkom

zingen                       NLB 486 (Midden in de winternacht): 1, 2 en 3

Kerstverhaal Brieven uit Raqqa van Bernard F. van Verschuer (Dit is een ingekorte versie. De complete brieven staan onderaan dit document)

 

Raqqa, 17 maart 2015

Lieve mama,

Ik heb jullie verlaten zonder iets te zeggen, zonder een boodschap achter te laten. Alleen God wist dat ik ging om een strijder voor de waarheid te worden.

Zeven weken ben ik in Syrie. Ik ben hier welkom geheten als een broer die thuisgekomen is van lange omzwervingen. Het is mooier dan ik had gedroomd. Voor het eerst in mijn leven ben iemand. Als ik morgen sterf dan heb ik ergens voor geleefd. Als ik thuis was gebleven en veertig jaar in een bestelbus was blijven rondrijden met pakketjes die mensen in hun radeloze verveling op internet hebben besteld, had ik dan geleefd? Ik besef dat ik u verdriet heb gedaan, u en papa, door weg te gaan als een dief in de nacht. Maar ik ben uw oudste zoon en ik wil dat u trots op me bent, dat u me niet voor niets gebaard hebt en een goede opvoeding hebt gegeven.

Uw liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 28 maart

Zoon, je brief heb ik niet aan je moeder gegeven. Toen je na drie dagen niet terug was en niemand wist waar je uithing en je broers en ik bij je vrienden, op je werk, in de moskee, naar je gezocht hebben, begreep ik dat je weg was. Ik heb je moeder verteld dat je op reis bent. Kom nu terug voordat de autoriteiten weten dat je een strijder bent geworden en voordat je vader en moeder je niet meer als hun zoon herkennen.

Vader

 

Raqqa, 13 april

Lieve mama,

U moet me geloven: het leven is een strijd. Niet de strijd die ik steeds aan het verliezen was, tegen alcohol en lage begeerten maar een strijd voor iets groters: voor de waarheid en tegen een wereld die enkel bezig is zijn belangen veilig te stellen, de olie, de afzet van hun cola en hun laptops. Wij bouwen aan een nieuwe wereld, aan een rechtvaardige. Ja, eerst nog met de wapens en er vloeit bloed (dat gaat nu eenmaal niet anders) maar straks bouwen we het land op waar rechtvaardigheid zal heersen.

We hebben een gevangenenkamp, nee dat we alle tegenstanders doden is een infame westerse leugen. Ik ben hoofd van de bewaking. Sinds een week is er een gevangene, een christen, een pater, Père Jacob. Wij praten soms. Hij zegt dat christenen en moslims vrienden zijn. Ik zei tegen hem dat de christenen de moslims eeuwenlang hebben onderdrukt. Toen zweeg hij. En alleen een heilige oorlog kan ons vrij maken, zei ik. Hij antwoordde dat elke oorlog een einde is, niet een begin. Hij zei dat God niet van ons vraagt om aan macht te bouwen, maar om mensen te dienen. Ik lachte hem uit: veel mensen hebben een heel andere indruk van christenen. Toen zweeg hij.

Uw liefhebbende zoon die God bidt dat u trots op hem bent.

 

Rotterdam, 8 mei

Zoon, je brief heb ik aan je moeder voorgelezen om haar niet nog zieker te maken door onzekerheid. Sinds ze het weet waar je bent, zit ze aan de tafel. Ze slaapt niet meer en eet niet meer van verdriet. Aischa is langsgeweest om te vragen of we iets van je weten en om te zeggen dat ze zwanger is. Je wordt vader, je moet je verantwoordelijkheid op je nemen en naar huis komen nu het nog kan.

Vader

 

Raqqa, 25 juni

Lieve mama, elke avond bid ik voor uw gezondheid en dat ik u weer zal zien. De pater, père Jacob, is dood. Er was in de gevangenis gestolen. Bij twee van de jongens werden de spullen gevonden. Hier heerst oorlogsrecht: daar staat de doodstraf op. Toen zei de pater: ik ben oud, neem mij in hun plaats. Ik zei: dwaas, denk je zo makkelijk een martelaar te worden? Hij keek me alleen maar aan. Ik denk nog wel eens aan hem. Dat geloof van hem vertegenwoordigt geen kracht, alleen maar zwakheid. Daar heb je niets aan, daar kun je geen staat op bouwen. Hij zei een keer: kijk naar de kinderen hier, in hen ontdek je de ogen van God. Zeg alstublieft tegen Aischa dat ik blij ben om het kind dat ze verwacht.

Uw liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 10 juli

Jongen,

Een moeder draagt haar kind in zwakheid. Ja, mijn zoon, zo als het in de Koran staat, zo is het. Niet dat zij zwak is: maar zij voelt het, het kleine, het filigrane werk dat diep in haar geweven wordt. Een kind wordt geboren, het groeit op tot een man, hij heft zijn handen, balt zijn vuisten, verzamelt zijn kracht en neemt de wapens op om een imperium te stichten. Maar het wonder blijft daarin verborgen dat Gods kracht verschijnt in de zwakheid. Mensen willen of kunnen dat niet erkennen, zij onderwerpen elkaar, richten tekens op van hun grootheid. Waar een man beveelt, waar een oorlog woedt, waar een menigte opkomt, waar een massa schreeuwt, daar is God niet, hij bouwt in stilte. Zijn koningschap troont op de aanbidding van de mensen die verbaasd knielen voor het ontzaglijk kleine wonder, dat zo veel groter is dan wat zij zelf kunnen bevatten. Een mens, man of vrouw, die dat vergeten is, die dat niet meer wil zien, miskent zichzelf, maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid. Mijn zoon, mijn kind noem ik je, opdat je dat niet vergeet.

 

Raqqa, 1 september

Lieve mama,

Jouw brief heb ik om mijn hals gebonden en ik draag hem op mijn hart. Ik begrijp niet wat je schrijft, maar ik voel je bloed erdoorheen stromen. Een man mag zwakheid niet toelaten. Voor het eerst in mijn leven heb ik iets gevonden dat mij het gevoel geeft een mens te zijn. Toen de pater werd doodgeschoten, Père Jacob, over wie ik schreef, zag ik hem een ogenblik daarvoor tegen de muur staan, bleek was hij en een beetje in elkaar gedoken. Geen held van zijn geloof, dacht ik, zo ziet een martelaar er niet uit. Wij zijn winnaars, dat zullen ze mettertijd wel in de gaten krijgen. Ik bid elke dag voor jullie. Je liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 13 september

Zoon,

Aischa is gisteren bevallen. Ze maakt het goed. Jullie hebben een gezonde zoon. Ze heeft hem Tariq genoemd, ‘ster’ in het Arabisch. Door zijn ster kan je de weg naar huis teruggaan en vinden. Je moeder is meteen het kind gaan zien. Toen ze thuis kwam huilde ze. Het kind lijkt op jou toen je geboren was, zei ze.

Vader.

 

Raqqa, 23 oktober            

Lieve mama,

Op facebook heb ik een foto van mijn kind gezien. Ik wist niet dat ik voor een mens zoveel liefde kon voelen, behalve dan voor jou. Hij is een geschenk, een teken. In elk kind dat ik hier zie, zie ik hem. Alsof zij de bewaarders en dragers van leven zijn, alsof in één kind de hoop van een hele wereld is. Kan het zijn dat in zo iets kleins en wat zo zwak is, zo iets groots als alle hoop voor de mensen samengebald is?

Je toegewijde zoon.

 

Raqqa, 1 november

Gisteren is uw zoon gevallen als gevolg van een laffe aanval van de ongelovigen. De zekerheid dat hij als martelaar naar de hemel is gegaan zal van u gelukkige mensen maken. Om zijn hals droeg hij een brief in een linnen zakje genaaid. De brief sluiten we hierbij in.

 

ensemble                 If Ye Love Me van Thomas Tallis

schriftlezing             Lucas 2: 1-7

ensemble                 Away in a Manger, arr: Philip Ledger, tekst Maarten Luther

schriftlezing             Lucas 2: 8 – 14

zingen                       NLB 481: 1 (Hoor de engelen zingen de eer)

schriftlezing             Lucas 2: 15 – 20

ensemble                 Es ist ein Ros entsprungen van Michael Praetorius

overweging

 

Eén van de redenen waarom de briefwisseling tussen Rotterdam en Raqqa mij aanspreekt, is dat het een poging is om die op het oog ondoorgrondelijke jihadgangers een menselijk gezicht te geven. Hoe het u is vergaan weet ik natuurlijk niet maar ik ging aspecten van wat die jongen motiveert om naar Syrië te gaan bij mijzelf herkennen. U zult willen aannemen dat ik niet de neiging heb om letterlijk in zijn voetspoor te treden maar wat hem drijft, is mij niet helemaal vreemd.

 

Dat ik dat hier durf te zeggen, is omdat ik veronderstel dat ik daarin niet alleen sta. Misschien is het zelfs zo dat er zich hier iets universeels aandient, iets dat alle mensen, waar ter wereld zij ook wonen, met elkaar gemeen hebben.

 

Waar ik dan op doel, is niet zozeer het naïeve idealisme van de jongeman uit Rotterdam maar vooral zijn bevlogenheid om zijn idealen te verwerkelijken. Hij is ontevreden over de wereld waarin hij leeft en hij wil wat dóen. Hij wil uitbreken uit het verlammende keurslijf van alledag om een andere, nieuwe maar vooral betere wereld te scheppen. Het is een drang die ieder mens parten speelt. Zij komt voort uit een oerdrift om wat ons beklemt of bedreigt met daden te lijf te gaan.

 

De jongen uit de briefwisseling doet precies dat met een grote vanzelfsprekendheid. Hij gaat er daarom van uit dat zijn ouders hem niet alleen zullen begrijpen maar dat zij bovendien trots op hem zullen zijn. Hij vertaalt zijn primaire driften in actie en de gedachte dat iemand daar bezwaar tegen zou kunnen maken komt hem onwaarschijnlijk voor.

 

Of toch niet helemaal? In de loop van de briefwisseling lijkt er toch iets in zijn toon te veranderen. Daarvoor zijn drie aanleidingen. De eerste is de ontmoeting met Père Jacob die hem voorhoudt dat het er op aankomt te zoeken naar wat wij met elkaar gemeenschappelijk hebben. En ons dus niet blind te staren op waarin wij van elkaar verschillen. Ook de opmerking van de Pater dat het beer is te dienen dan te heersen blijkt hij ergens in zijn geheugen opgeslagen te hebben. Dat zal niet helemaal toevallig zijn. De tweede aanleiding om toch net iets anders te gaan denken is de geboorte van zijn zoon. Père Jacob had hem al eens gezegd dat je God kunt herkennen in de ogen van een kind. Na de geboorte van Tariq dringt tot hem door wat daarmee gezegd wil zijn. Dat wordt versterkt door de bijzondere brief die hij van zijn moeder ontvangt. Zij schrijft in zekere zin hetzelfde als wat de pater zei: dat kracht zich in zwakte en kwetsbaarheid openbaart.

 

Zowel de pater als zijn moeder stellen het in kwetsbaarheid met elkaar verbonden zijn tegenover die oerdrift die onze Rotterdamse vriend naar Syrië deed afreizen. Vanavond wil ik daarover graag eens met u nadenken, over die tegenstelling tussen ook ónze oerdriften en wat Père Jacob en de moeder daar tegenover stellen. Ik vermoed dat het Kerstverhaal van Lucas ons hierbij behulpzaam kan zijn. Ik stel voor daar nader naar te gaan kijken.

 

Het is heel wel denkbaar dat Lucas, toen hij een geboorteverhaal schreef voor de hoofdfiguur uit zijn boekje, in gedachten bezig was met precies deze zelfde tegenstelling. Toen hij achter zijn schrijftafel ging zitten, wist hij één ding zeker. De hoofdfiguur uit zijn boek zou gestalte moeten geven aan wat het is om volkomen vrij te zijn. Zijn verhaal zou laten zien wat vrijheid behelst. Zoals in een ouverture altijd alle thema’s al klinken die verderop worden uitgewerkt, zou dat dus ook hier het geval moeten zijn. Dit geboorteverhaal zou al meteen illustreren wat vrij zijn inhoudt.

 

De vrijheid die Lucas voor ogen heeft, is niet onmiddellijk dezelfde als waar wij aan denken als wij dat woord horen. Het gaat hem er niet om in het wilde weg te mogen roepen wat er toevallig in je opkomt. Of om lekker alles te kunnen doen waar je zin in hebt, waar je opgewonden van raakt of wat je op dat toevallige moment goeddunkt. Lucas had ook de reclames voor het Zwitserlevengevoel niet op zijn netvlies. Hij denkt bij het begrip vrijheid aan iets volstrekt anders. Voor hem is vrijheid de ruimte die geschapen wordt als jij er in slaagt om jouw angsten (en dan met name jouw angsten voor jouw eigen diepere gedachten en gevoelens) te overwinnen. Bij uitstek vrij is die mens die zichzelf onder ogen durft te komen.

 

Erover nadenkend hoe hij dit vrijheidsbegrip in beeld zou kunnen brengen kreeg Lucas een lumineuze inval. Hij zou zijn hoofdfiguur geboren laten worden in een modderige stal, omringd door dieren. Die dieren bedoelde hij als de verbeelding van al die lastige lusten en driften die in een mens leven en waartoe hij zich vaak maar moeizaam verhoudt. Wat hij dus duidelijk hoopte te maken is dat die voorbeeldig vrije mens die hij in zijn boekje portretteert al vanaf het prilste begin een vrijmoedige relatie onderhoudt met ook de dierlijke krachten die er in hem leven. Daarmee voldoet hij aan een van de meest lastige eisen die de vrijheid stelt.

 

Lucas plaatst zich met zijn keuze in een lange traditie. Door de eeuwen heen staan in de kunst de dieren dikwijls het symbool voor ons lust- en driftleven. Zij verbeelden niet zelden die gulzige krachten en verlangens die ieder mens kent maar waarmee hij zo dikwijls geen raad mee weet. Zijn opgeruimde buitenkant laat niets van zijn dierlijke driften en primaire emoties zien. Of het is omdat zij zich manifesteren in het gebruik van te voor de hand liggende argumenten en een niets ontziende dadendrang.

 

De grote 20-ste-eeuwse psycholoog Sigmund Freud noemde dat verborgen leven in de catacomben van ons bewustzijn het ónderbewustzijn. Freud was gaan begrijpen dat wij geen of nauwelijks toegang hebben tot een niet onaanzienlijk deel van ons gevoels- en driftleven. Wij hebben het weggeborgen. Hij legde bloot dat wij er als de dood voor zijn. Het is die angst die maakt dat wij het wegduwen. Het is misschien wel typerend voor de Westerse mens dat hij het onderbewuste onderdrukt. Alles wat zich daar beneden roert, hij heeft er geen goed zicht op en hij kent daarom de macht er niet van.

 

Freud was zich als geen ander bewust van het belang van de emancipatie van dat onderbewustzijn. De oerdriften die daar beneden in onze onderbuik kloppen en kolken noemde hij das Es. Dat Es moet uitgenodigd worden om in beeld te komen en deel uit te gaan maken van de wereld van alledag. Daarmee wil hij bereiken dat het onderbewustzijn deel uit gaat maken van het zelfbewustzijn. Das Es soll Ich werden, was het devies. Want als dat niet gebeurt, gaat het een eigen leven leiden. Als het verwaarloosd en ontkend wordt, gaat het aandacht vragen en begint het voor zichzelf. Het móet in gesprek worden gebracht met de rede, met de beschaving en met de godsdienst. Als dat niet voldoende gebeurt breekt het los en gaat het eenzijdig het morele kompas van ons mensen bepalen.

 

Dat kan tot ernstige ontsporingen leiden. In het vooroorlogse Oostenrijk en Duitsland had Freud dat met eigen ogen gezien en kunnen constateren. Hij had gezien hoe het Es ruimte opeiste en de toon ging zetten. De rede, de beschaving en de godsdienst werden buiten spel gezet. Lompe, onverschillige dadendrang kregen vrij spel.

 

Het tafereel in de Kerststal doet een appèl op ons om onze oerdriften onder ogen te komen, met hen in gesprek te gaan en ze zo te vermenselijken. Dat geldt op een individueel niveau en het geldt voor een samenleving als geheel. Telkens opnieuw dienen onze primaire invallen in gesprek te worden gebracht met wat zoveel eeuwen beschaving ons heeft gebracht. In het verhaal over de Rotterdamse jihadganger zijn het Père Jacob en de moeder die hem daarop wijzen en zo de nuance terug willen brengen in zijn denken en doen. Zij willen voorkomen dat de driften de wereld ontmenselijken en zij beogen daarentegen te bevorderen dat hun kind en pupil meer mens wordt, Mens met een hoofdletter.

 

Nog een enkele regel uit de brief van die moeder: ‘Een mens, man of vrouw, die vergeten is dat het daarom gaat, die dat niet meer wil zien, die miskent zichzelf, hij maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, ja, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid.’

 

Wij kunnen kiezen. Iedere dag weer. En hier, vanavond in het bijzonder.

Amen

 

orgel                          improvisatie op ‘In the bleak midwinter’

zingen                                  NLB 483 (Stille nacht)

ensemble                 Entre le boeuf et l’åne gris, anonymous

gebed

ensemble                 Lully, Lulla, Lullay van Philip Stopford

zingen                                  Ere zij God    -staande gezongen-

zegen

orgel                          improvisatie

 

Brieven uit Raqqa (compleet)

Raqqa, 17 maart 2015

De met Allah verbondenen, geen vrees is er voor hen en zij zijn niet bedroefd. Zij die geloven en vrezend zijn voor hen is de goede tijding in het nabije leven en in het latere.

Lieve mama,

Ik heb jullie verlaten zonder iets te zeggen, zonder een boodschap achter te laten. Alleen God die mijn overleggingen kent, zijn wil doe ik, wist dat ik ging om een strijder voor de waarheid, een strijder voor de Islam te worden.

Het koranvers heb ik op een papier geschreven en boven mijn bed geprikt. Ik denk elke avond aan u en bid voor u en vader. Zeven weken ben ik in Syrie. De broeders en zusters hebben me onmiddellijk opgenomen als een broer die thuisgekomen is van lange omzwervingen. Het is mooier dan ik had gedroomd. Voor het eerst in mijn leven ben iemand. Als ik morgen sterf dan heb ik ergens voor geleefd. Als ik thuis was gebleven, als ik in Holland was gebleven en veertig jaar in een bestelbus was blijven rondrijden met pakketjes die mensen in hun radeloze verveling op internet hadden besteld, als ik met tachtig in mijn bed was gestorven, had ik dan geleefd? Het was verkwist leven geweest, ik was pleziertjes blijven najagen, auto’s, mooie kleren, achter de meisjes aan, als de eerste de beste ongelovige. Ik besef dat ik u verdriet heb gedaan, u en papa, door weg te gaan als een dief in de nacht. Maar ik ben u oudste zoon en ik wil dat u trots op me bent, dat u me niet voor niets gebaard hebt en een goede opvoeding gegeven. Ik ben u dankbaar, God zal u belonen.

Uw liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 28 maart

Zoon, je brief heb ik niet aan je moeder gegeven. Toen je na drie dagen niet terug was en niemand wist waar je uithing en je broers en ik bij je vrienden, op je werk, in de moskee, gezocht en gevraagd hebben begreep ik dat je weg was. Ik heb je moeder verteld dat je op reis bent. Ik weet zeker dat ze vreest dat je een strijder bent geworden, maar zij noch ik durft het hardop te zeggen. Je bent een schande voor je ouders, je bent een gevaar voor je broers, je zou hen kunnen verleiden. Wie heeft je hoofd op hol gemaakt? God moge hem slaan met een ziekte. Kom nu terug voordat de autoriteiten weten dat je een strijder bent geworden en voordat je vader en moeder je niet meer als hun zoon herkennen.

Vader.

 

Raqqa, 13 april

Is hij dan beter die zijn bouwwerk vestigt op vreze en welgevallen van God of hij die zijn bouwwerk vestigt op de afbrokkelende rand van een ravijn zodat hij daarmede wordt meegesleurd en het vuur van de Gahannam?

Lieve mama,

Gisteravond las ik dit in de Koran, 9e sura. Een bouwwerk op de afbrokkelende rand van een ravijn, zo was mijn leven, zo is het bestaan in Holland. Om te eindigen in een val in het vuur. Hier leef ik zoals de profeet heeft gezegd, hier ben ik een gelovige. Het leven is een strijd. Niet een strijd die ik steeds aan het verliezen was, tegen alcohol en lage begeerten, niet alleen om mijzelf te redden, maar voor iets groters. Voor de waarheid, voor de overwinning op de machten in de wereld die erop uit zijn om van alle mensen ongelovigen te maken, kaffirs. Die met hun vliegtuigen komen en hun bommen gooien, zogenaamd voor vrijheid van mensen, maar alleen om hun eigen belangen zeker te stellen: hun olie, de afzet van hun cola en hun lap tops. Wij bouwen aan een nieuwe wereld, aan een rechtvaardige. Ja, eerst nog met de wapens, en er vloeit bloed dat gaat nu eenmaal niet anders, straks bouwen we het land op en allen zullen na een rechtvaardig leven in het paradijs beloond worden.

We hebben een gevangenenkamp, nee dat we alle tegenstanders doden is een infame westerse leugen. Ik ben hoofd van de bewaking. Sinds een week is er een gevangene, een christen, een pater, pére Jacob. Wij praten soms. Hij zegt dat christenen en moslims vrienden zijn. Ik zei tegen hem dat de christenen de moslims eeuwenlang hebben onderdrukt. Toen zweeg hij. En alleen een heilige oorlog kan ons vrij maken, zei ik. Hij antwoordde dat elke oorlog een einde is, niet een begin. Hij zei dat God niet van ons vraagt om aan macht te bouwen, maar om mensen te dienen, te beginnen met iemand die op de grond ligt overeind te helpen. Ik lachte hem uit: veel mensen hebben een heel andere indruk van christenen. Toen zweeg hij weer. Uw liefhebbende zoon, die God bidt dat u trots op hem bent.

 

Rotterdam, 8 mei

Zoon, moge God je dwaze hoofd afkoelen en je verwarde gedachten ontrafelen. De brief heb ik aan je moeder voorgelezen, om haar niet zieker te maken door onzekerheid. Sinds ze het weet zit ze aan de tafel, ze slaapt niet meer en eet niet meer van verdriet.

Aischa is langsgeweest om te vragen of we iets van je weten en om te zeggen dat ze zwanger is. Je wordt vader, je moet je verantwoordelijkheid op je nemen, naar huis komen nu het nog kan. Je kind heeft een vader nodig, die geld verdient en voor een woning zorgt, geen martelaar ver weg in de woestijn aan wiens gebeente de honden knagen. Vader.

 

Raqqa, 25 juni

En wij hebben de mens zorg voor zijn ouders opgedragen. Zijn moeder heeft hem gedragen in zwakheid op zwakheid. Breng dan mij en uw ouders dank. 31ste Sura.

Lieve mama, elke avond bid ik voor uw gezondheid en dat ik u weer zal zien. Met mij gaat het goed. Ik was gewond bij een bombardement maar met Gods hulp ben ik er gauw weer bovenop gekomen.

De pater, frere Jacob, is dood. Er was in de gevangenis gestolen. Bij twee jongens waren de spullen in hun bed gevonden. Hier heerst oorlogsrecht, daar staat de doodstraf op. Toen zei de pater: ik ben oud, neem mij in hun plaats. Ik zei: dwaas, denk je zo makkelijk een martelaar te worden? Hij keek me alleen aan. Ik denk nog wel eens aan hem. Dat geloof van hem vertegenwoordigt geen kracht, alleen maar zwakheid. Daar heb je niets aan, daar kun je geen staat op bouwen. Hij zei een keer: kijk naar de kinderen hier, in hen ontdek je de ogen van God. Zeg alstublieft tegen Aischa dat ik blij ben om het kind dat ze verwacht. De oorlog zal gauw voorbij zijn, inshallah. Dan kan zij naar mij toe komen en zal het kind in een vrije islamitische staat groot worden. Weet u verzekerd van de liefde van uw zoon.

 

Rotterdam, 10 juli

Bloed van mijn bloed, hart uit mijn moederhart, deel van mijn ziel,

Een moeder draagt haar kind in zwakheid op zwakheid. Ja, mijn zoon, zo als het in de Koran staat, zo is het. In zwakheid draagt de vrouw haar kind. Niet dat zij zwak is: maar zij voelt het, het kleine, de kwetsbaarheid, het filigrane werk dat diep in haar geweven wordt, micromilimeter voor micromilimeter. Een kind wordt geboren, hij groeit op tot een man, hij heft zijn handen, balt zijn vuisten, verzamelt zijn kracht, neemt de wapens om een imperium te stichten. Maar het wonder is er, blijft daarin verborgen, dat Gods kracht verschijnt in de zwakheid. Mensen willen of kunnen dat niet erkennen, onderwerpen elkaar, richten tekens op van hun grootheid. Waar een man beveelt, waar een oorlog woedt, waar een menigte opkomt, waar een massa schreeuwt, daar gebeurt het. God is daar niet, hij bouwt in stilte. In zwakheid op zwakheid: zijn koningschap troont op de aanbidding van de mensen die verbaasd knielen voor het ontzaglijk kleine wonder, dat zo veel groter is dan wat zij zelf kunnen bevatten, zo klein maar zoveel groter dan alles wat zijzelf maken kunnen. Dat leven daar ontstaat. Een mens, man of vrouw, die dat vergeten is, die dat niet meer wil zien, miskent zichzelf, maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid.

Mijn zoon, mijn kind noem ik je, opdat je dat niet vergeet, in zwakheid die ik gekend heb ben je gedragen, gegroeid, geboren, opdat je dat niet vergeet.

 

Raqqa, 1 september

Lieve mama,

Jouw brief heb ik om mijn hals gebonden en ik draag hem op mijn hart. Ik begrijp niet wat je schrijft, maar ik voel je bloed erdoorheen stromen. Een man mag zwakheid niet toelaten. God roept strijders. Ik heb voor het eerst in mijn leven iets dat mij het gevoel geeft een mens te zijn. Toen de pater werd doodgeschoten, Pére Jacob, over wie ik schreef, zag ik hem een ogenblik daarvoor tegen de muur staan, bleek was hij en een beetje in elkaar gedoken. Geen held van zijn geloof, dacht ik, zo ziet een martelaar er niet uit. Sinds hij dood is, een maand geleden, lijkt het of de andere gevangenen meer rechtop zijn gaan lopen. We moeten ze strenger behandelen, we geven ze minder te eten, maar ze doen alsof het hun niks kan schelen. Wij zijn de winnaars, dat zullen ze mettertijd wel in de gaten krijgen. Ik bid elke dag voor jullie. Je liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 13 september

Zoon,

Aischa is gisteren bevallen. Ze maakt het goed en… jullie hebben een gezonde zoon. Ze heeft hem Tariq genoemd, ster in het Arabisch. Door zijn ster kan je de weg naar huis teruggaan en vinden. Je moeder is meteen het kind gaan zien. Toen ze thuis kwam huilde ze. Het kind lijkt op jou toen je geboren was, zei ze.

Vader.

 

Raqqa, 23 oktober

Lieve mama,

Op facebook heb ik een foto van mijn kind gezien. Ik wist niet dat ik voor een mens zoveel liefde kon voelen, behalve dan voor jou. Een keer heb ik ernaar verlangd om thuis te zijn en hem vast te houden. Hij is een geschenk, een teken. In elk kind dat ik hier zie, zie ik hem. Alsof al die kinderen mij aankijken en er een vraag in hun ogen te lezen is: is er iets te hopen? Alsof zij de bewaarders en dragers van leven zijn, alsof in één kind de hoop van een hele wereld is. Zij vragen mij niet echt, maar ik wist niet wat ik moest antwoorden. Kan het dan zijn dat in zo iets kleins en wat zo zwak is, zo iets groots als alle hoop voor de mensen samengebald is? Je toegewijde zoon.

 

Raqqa, 1 november

Gisteren is uw zoon gevallen als gevolg van een laffe aanval van de ongelovigen. De zekerheid dat hij als martelaar naar de hemel is gegaan zal van u gelukkige mensen maken. Om zijn hals droeg hij een brief in een linnen zakje genaaid. De brief sluiten we hierbij in.

Sint Nicolaas door Pieter Lootsma

 myrasintnicolaasAfgelopen zondag was Sint Nicolaas, tot plezier van velen, onderwerp van de preek van Pieter Lootsma. Daarom staat de tekst deze keer op de homepage en op het Prikbord, de rubriek waar u normaal gesproken zijn teksten vindt. 

Klein Byzantijns Koor o.l.v. Ilia Belianko verleende medewerking aan deze ochtend.

inleidende tekst

Vanmorgen gaat het over Sint Nicolaas, over Sinterklaas, de Goedheiligman. Ik hoop duidelijk te maken dat het vieren van zijn feest een letterlijke ‘godsdienstoefening’ is. Sterker nog, het is een oefening in Advent. Met Sinterklaas oefenen wij ons in het vertrouwen dat er iemand op ons toekomt die een einde maakt aan het om zich heen grijpende duister.

gebed om ontferming (na het ‘daarom bidden wij’ antwoord het koor met Gospodi Pomiloej (Heer ontferm u))

 

Kranig zijn wij,

zo met z’n allen, toch?

Dat wij onszelf staande weten te houden

in een wereld en een werkelijkheid

die alles behalve zachtzinnig is.

Het ligt toch voor de hand

dat wij ons daarom afschermen

voor wat ons bedreigt en onderuit haalt,

en dat wij doen alsof het allemaal wel meevalt,

met wat deze wereld vernielt, vervuilt en corrumpeert?

En dat wij de grote vragen die er op ons afkomen,

de pijn van het verlies dat wij leiden,

de hardnekkigheid van onze zelfhandhaving

zo relativeren?

Want wat moeten wij anders?

Daarom bidden wij:

Dwars door dat alles heen

spreekt diep in ons

een stille stem die zegt dat het anders kán,

dat er ondanks alles een alternatief is.

In een verborgen hoek van onze ziel

slaapt vrijwel onopgemerkt een weten

tegen beter weten in.

Dat stille weten hoort de kleine mensen schreien,

het berust niet

in de kleinering van naamlozen,

in de verminking van een mensenleven

door machtsuitoefening en onachtzaamheid.

Maar welke plaats heeft dat weten in het leven dat wij leven?

Daarom bidden wij:

Help ons weer in de droom

van een wereld

waarin iedereen thuis is:

. wie geen huis heeft omdat hij moest vluchten,

. wie geen zekerheid meent te kennen

omdat mislukking hem blijft aangerekend,

. wie geen mens heeft om te vertrouwen

omdat zijn vertrouwen zo dikwijls is beschaamd,

een wereld waarin iedereen meetelt en onderdak vindt,

in tijd én in eeuwigheid.

Dat díe droom zich mag vertalen

in een getroost doen en laten,

in leven en laten leven.

Daarom bidden wij:

 

schriftlezing

Mattheus 25: 31 Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. 32 Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; 33 de schapen zal hij rechts van zich plaatsen, de bokken links. 34 Dan zal de koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. 35 Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, 36 ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.” 37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? 38 Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? 39 Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” 40 En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” 41 Daarop zal hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen. 42 Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, ik had dorst en jullie gaven me niet te drinken. 43 Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.” 44 Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd?” 45 En hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.”

 

overdenking

Vandaag hebben wij het dus over Sint Nicolaas. Maar misschien moet ik eerst, in een enkele zin, iets in het algemeen zeggen over wat ‘heiligen’ zijn. Heiligen zijn mensen als wij allemaal die door hun levenswandel op de één of andere manier aan God deden denken en die daarom apart gezet zijn. Met hun doen en laten verwijzen zij naar God en daarom wordt er over hen verteld, ter inspiratie en tot troost. Zij leren ons een andere manier van doen en laten, van kijken en ervaren. Door over hen te vertellen, door ons met hen te omringen, kan het gebeuren dat wij weggetild worden uit de grauwe verlatenheid van het dagelijkse bestaan.

 

Kort geleden werd mij iets verteld dat dit kan illustreren. Het is een verhaal van een man met wie ik ooit een opleiding volgde en die nog niet zo lang gelden tot priester werd gewijd. De dag waarop dat gebeurde was voor hem één van de grootste dagen uit zijn leven tot dan toe. Maar hem was, zo vertelde hij, het grote verschil opgevallen tussen zijn eigen beleving van die dag en de beleving van degenen die hem na stonden. U moet weten dat een priester die gewijd wordt op enig moment in de dienst verondersteld wordt op de grond te gaan liggen, op zijn buik, met zijn gezicht naar de vloer. Terwijl hij daar zo ligt, wordt de ‘liturgie van alle heiligen’ gezongen. Dan klinken de namen van alle heiligen die een rol spelen in het leven van de aankomende priester. Zijn omgeving zei, na afloop van de dienst: ‘Toen jij daar lag, voor het altaar, in die volstrekte overgave, toen vonden wij je zo gruwelijk alleen.’ Maar zelf had hij dat heel anders gevoeld. Voor hem was het een hoogtepunt geweest, een moment van vervulling en grote rijkdom. Hij had erop gestaan dat naast alle namen van de bekende en grote heiligen óók andere heiligen zouden worden genoemd: de patroonheilige van zijn kleuterschool, en van zijn lagere- en middelbare school. En de naamheiligen van zijn vader, moeder, broers en zusters. En die van hemzelf, natuurlijk. En de heilige aan wie de kerk waarin de wijding plaatsvond was opgedragen. Al die namen zweefden om hem heen, terwijl hij daar lag. Zij bezochten hem, één voor één, een lange stoet van herinneringen en ervaringen. Zijn hele levensgang werd erdoor samengevat en in één, groot, zinvol verband geplaatst. En of hij alléén geweest was op dat moment? Hij had zich zelden zó verbonden gevoeld met God en met de mensen.

 

Het verhaal van de mogelijkheid van deze verbondenheid is tot ons gekomen in een lange traditie van verhalen over menselijke gestalten. Eerst waren er de mannen en vrouwen waar de bijbel en andere heilige boeken ons van vertellen. Daarna kwamen getuigen uit een meer eigen werkelijkheid. Ik noem een paar namen: Augustinus, Franciscus, Calvijn, Bach, Teresa van Avilla. Maar wij zouden ook kunnen denken aan mensen als Martin Luther King, Oscar Romero, Etty Hillesum, Bonhoeffer, allemaal mensen, feilbaar als iedere ander, falend en vallend als ieder ander, maar die op momenten een alternatief voor het zo wijd verbreide cynisme voor hebben geleefd.

 

Sint Nicolaas, wie was hij? Waarschijnlijk is hij, zoals wij hem kennen, een optelsom van twee vrome gestalten uit Lycië, aan de zuidkust van Klein Azië: een bisschop van Myra uit de vierde eeuw over wie wij niets met zekerheid kunnen vertellen én een eenvoudige monnik uit de zesde eeuw van wie tal van verhalen over genezingen en verdrijvingen van demonen worden verteld. Rondom hem was een cultus ontstaan die ergens in de loop van de zevende eeuw via Griekenland naar Italië overwaait. Zeelieden die het gebeente uit het inmiddels voor het Christendom verloren gegane Myra roven en in Bari in Zuid Italië begraven, dragen de roem van de heilige overzee. En met succes. Zo is, bij voorbeeld, overgeleverd dat Willem de Veroveraar de heilige Nicolaas om bijstand aanroept, wanneer zijn vloot bij zijn beroemde overtocht over het Kanaal in 1066 door de storm wordt geteisterd.

 

Schitterende en, voor de goede verstaander, pikant dubbelzinnige legenden over de heilige Nicolaas doen de ronde. Ik geef u een korte bloemlezing van eerst de legenden. Dan kunt u uw fantasie laten werken. De dubbelzinnigheid vertel ik zo meteen.

 

Er wordt verteld dat de vroomheid hem aangeboren is want als zuigeling accepteert hij op vastendagen slechts eenmaal per dag de moederborst. Verder redt hij drie meisjes die uit armoede tot de prostitutie veroordeeld waren door driemaal een zak met daarin de bruidsschat door het raam naar binnen te gooien. Als dat geen mooie surprise is! En drie jongens, voor straf vermoord en ingemaakt in een pekelvat, wekt hij tot leven. Evenals het kind dat omkwam in een pan kokend water op de kachel. De moeder baadde het kindje maar werd weggelokt door het schone gezang uit de kerk. En ook de duivel bant hij uit. In Middeleeuwse spelen, waarin de strijd tussen goed en kwaad dikwijls plastisch wordt uitgebeeld, verschijnt de goedheiligman ten tonele met een potsierlijke duivelsgestalte stevig aan de ketting. Het kereltje is zwart, zoals iemand uit het rijk der duisternis betaamt. Later is die ketting overigens verdwenen en het kleine donkere duiveltje, dat mannetje, met zijn roede en zijn zak, gaat dreigend rond. Maar zodra de heilige bisschop een teken geeft dat het geduvel uit moet zijn, dan ís het uit. Toch heeft hij alle begrijp voor wie bezwijken voor de verleidingen des vlezes. Hij heeft een begrijpend oor voor de zeeman en zijn noden en hij gunt de meisjes hun vrijers. Daarom worden er op zijn naamdag hier en daar vrijers en suikerharten uitgedeeld. Maar hij verkondigt dat een mens in alles maat moet weten te houden, zoals hij dat ook zelf als zuigeling al deed.

 

Een goed en heilig man is hij. Hij is de beschermheilige van alle verkeer: van het huiselijk verkeer, van het handelsverkeer maar bovenal van het geslachtsverkeer. Die drie meisjes hoeven niet de prostitutie in maar mogen moeder worden. De drie jongetjes (waarvan met name de middelste ondeugend is geweest; deze ‘jongeheer’ was ergens binnengegaan waar dat niet mocht; de twee anderen hadden buiten gewacht) krijgen een passende straf maar ontvangen vergiffenis van Sint Nicolaas voor hun verboden avontuur. En de moeder met haar kindje in het water (zij is, met andere woorden, zwanger en wordt dus niet geacht gemeenschap te hebben, want die dient slechts de voortplanting) is door het zingen in de kerk(!) zó in vervoering geraakt dat zij haar kindje vergeet. Daarom sterft het, als straf op de zonde. Maar het begrip en mededogen van Sint Nicolaas laten haar niet in de steek en hij wekt haar kind óp uit de dood. Sint Nicolaas is zelf alles behalve naïef in dit soort zaken. Hijzelf weet overigens ook drommels goed waar Abraham de mosterd haalt. Hij is alles behalve schijnheilig. Immers: hij heeft het steigerende beest, het animale van de seksualiteit, vast aan de teugel. Hij heeft het zelfs weten te temmen tot een van de meest edele dieren uit het dierenrijk, een wít paard. Het Griekse woord voor overwinnaar is nikè. En laos betekent ‘volk’. De overwinnaar van het volk is Nico-laos, hij helpt het boven zichzelf uit te stijgen.

 

Hij is al met al meer aards dan hemels gericht. Hij laat zich in met hele concrete menselijke verlangens en noden. Hij was vooral een gewoon mens, geen geleerde, en alles behalve een scherpslijper. Dat maakt hem populair. En daarom hoop ik nu maar dat u het met mij eens zult zijn dat er alle reden is om deze Sint Nicolaas een warm hart toe te dragen en hem ook dit jaar weer de eer van zijn intocht te gunnen, deze sympathieke heilige, de enige van de oecumene.

 

In de loop van de jaren is Sinterklaas in verschillende opzichten op Jezus gaan lijken. Veel trekjes in Sinterklaas doen aan Jezus denken. Net als Jezus is Sint Nicolaas een eenzame man. Maar hij is vriendelijk en altijd op anderen gericht. Ook zijn komst doet denken aan die van de Messias. Niet voor niets is zijn feest op de heiligenkalender aan het begin van de adventsweken geplaatst.

 

Hij komt ons tegemoet van overzee: ‘Zie ginds komt de stoomboot…’ Dat lied gaat over de nadering van een mysterie, een heilsgeheim in ons naïeve hart. Het is maar een kleine stap van dit lied naar het bij u misschien bekende, oude Adventslied ‘Daar komt een schip geladen, tot aan de hoogste boord, draagt Gods zoon vol genade des Vaders eeuwig woord.’ En wat denkt u van ‘Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt wie de gard?’ Dat is een vertaling van het oordeel dat Jezus uitspreekt bij de scheiding van de schapen en de bokken. Of van: ‘Hoor wie klopt daar kind’ren?’ Dat is gezang 295 in het oude Liedboek: ‘Aan de deur des harten woning klopt des hemels bruidegom.’ Ik lees u een enkele regel en misschien inspireert u dat om het morgenavond te gaan zingen:

 

‘Maar hoe zou ik hem ontmoeten,

ik ben koud en arm en naakt;

loom heeft mij de nacht gemaakt;

’t leger bindt mijn trage voeten.

’t Wakker hart hoort úw geklop,

maar ik geef mijn rust niet op.

 

Houdt mijn deur het kloppen tegen:

eenmaal wordt zijn kloppen stil.

Wie hem dan weer vinden wil,

moet hem zoeken langs de wegen,

dolend in de duisternis,

waar geen spoor te vinden is.

 

En zo gaat het nog een aantal coupletten verder. Waar het dus óók in de verhalen over Sint Nicolaas om gaat, is dat wij weer gaan hopen en verwachten dat er in een wereld die geen oor meer lijkt te hebben voor de stilte, en die hulpeloos meebuigt met de krachten van de chaos, er iemand op ons toekomt. Iemand breekt in in onze werkelijkheid – om daar het één en ander eens tegen het licht te houden en om uiteindelijk wat krom is recht te maken.

 

Ik besluit met een kort verhaal dat speelt in Amerika. Wat dit verhaal illustreert, is hoe in de wereld van de Goedheiligman de grens tussen het seculiere en het heilige wordt opgeheven. Misschien is dat wel de kern van waar het in zijn overlevering om gaat. Het verhaaltje gaat over een straatarm jong paar, Jim en Della, dat elkaar wat wil geven met Santa Claus. Della besluit, na lang wikken en wegen, dat zij het mooiste wat zij heeft, haar lange, donkere haren, zal verkopen om Jim een horlogeketting te kunnen geven. Jim verkoop echter, zonder dat Della het weet, zijn horloge om voor haar een paar mooie haarkammen te kunnen kopen.

 

Santa Claus is een net wat ander feest dan ons Sinterklaas, maar dat hoeft de pret niet te drukken. Ook het feit dat Jim en Della zich niet verkleden als goedheiligmannen of -vrouwen doet niet af aan de moraal van dit verhaal. Die is, hoe dwaas de handelwijze van de twee geliefden ook mag lijken, dat zij met wat zij elkaar geven boven zichzelf uitstijgen. Zij schonken elkaar namelijk iets van zichzelf, iets dat hun dierbaar was. Zo treden zij in het voetspoor van de leermeester, de heilige Nicolaas.

 

Daarom is het goed dat de makkers daarbuiten, al is het maar voor één heerlijk avondje, hun geraas staken om plaats te maken voor wie zich in naam van de Goedheiligman oefenen in het geven en vergeven. ‘Want ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor de onaanzienlijkste van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan. En wat jullie voor de onaanzienlijkste niet gedaan hebben, dat hebben jullie ook voor mij niet gedaan.’

Amen.

 

 

voorbeden (na het ‘zo bidden wij’ antwoord het koor met Gospodi Pomiloej (Heer ontferm u))

 

Wij staan stil bij alle mensen die zich verlaten voelen,

bij wie hun lot niet kunnen dragen,

bij hen die lijden en geen zin of uitkomst zien.

Bij allen die opstandig zijn

of uitgedoofd, verlamd,

wie dreigen te bezwijken onder de last op hun schouders.

Bij hen die verbeten zijn, schamper en cynisch.

Dat er iemand op hen toe zal komen.

Dat zij aangeraakt worden

door mildheid.

Dat hun ogen opnieuw worden geopend

voor de goedheid die er onder mensen mogelijk is,

Met onze gedachten zijn wij bij wie gewantrouwd worden,

die leven onder de druk van

verdachtmaking en kwaadsprekerij;

bij hen wier zelfvertrouwen wordt ondermijnd

door het harde oordeel van anderen;

bij allen die geen begrip ontmoeten,

geen woord dat hen geneest,

geen mens die hen aanvaardt.

En bij hen die verdeeldheid zaaien,

bij hen die zichzelf verrijken

ten koste van de integriteit van henzelf en die van anderen.

Bij hen die vergiftigd zijn en gevaarlijk.

Dat zij bevrijd worden uit hun gevangenschap.

Wij staan naast wie moedeloos worden

bij het zien van alle kwaad in deze wereld.

Maar ook naast hen die hoopvol zijn,

die kracht uitstralen en vriendschap kunnen geven:

Dat zij staande blijven als zij beproefd worden

En dat zij nooit ontbreken in ons midden.

FERDINAND JOHAN PIETER FOKKER gedoopt

Door omstandigheden is deze dienst wat later op de site terecht gekomen dan de boedeling was!                                                                                                                                            WOUDKAPEL BILTHOVEN                                                ZONDAG 6 NOVEMBER 2016

 

voorganger:   ds Pieter Lootsma

organist:        Gerard Zwart

sopraan:        Karen Langendonk

pianist:          Peter van de Kamp

 

peetouders:  Arnaud Frese en Cécile van Oppen

 

in deze dienst wordt FERDINAND JOHAN PIETER FOKKER gedoopt

 

liturgie

–           welkom, kaars aansteken etc.

–           zingen                                                            NLB 362 (Hij die gesproken heeft): 1 en 3

–           begroeting en inleidende tekst

–           sopraan:                                            Geh aus mein Herz und suche Freud van Paul

Gerhardt (tekst) en August Harder (muziek)

–           bijbellezing                                      uit het boek Jona

–           sopraan                                             A good child (uit Four Child songs op.5) van

Roger Quilter

–           overweging

–           stilte

–           orgel                                                   Sonata no.3 (Op. 65) van Felix Mendelssohn

–           zingen                                                            NLB 791 (Liefde eenmaal uitgesproken): 1, 2, 5

en 6

-onder het zingen komen de kinderen de kerkruimte binnen. Zij nemen water mee voor in het doopvont-

–           inleiding op de doop

–           sopraan                                             Wiegenlied van Wolfgang A. Mozart

–           doop                                                   doopvragen aan ouders en peetouders

doop

zegen

zegenwensen van de beide peetouders

–           fluit en piano                                               3e deel uit sonate in e mineur van Johan

Sebastiaan Bach

–           uitreiken doopkaars

–           gebed

–           zingen                                                            BB 57 (Vrede voor jou): 1 en 2

–           zegen

 

inleidende tekst

Vanmorgen gaat er een kind gedoopt worden: jullie zoon Ferdinand. Vorig jaar oktober doopten wij zijn zusje Eliane en nu dus Ferdinand. Jullie hebben Karen Langendonk en Peter van de Kamp uitgenodigd om muziek te komen maken. Zij, maar ook onze organist Gerard Zwart, zullen onder meer werk van Mendelsohn en Telemann uitvoeren. Daar hebben jullie om gevraagd. Jullie zoon is, net als Mendelsohn, in Hamburg geboren. Dat schept een band. En ook Telemann heeft die stad goed gekend. Hij heeft er maar liefst 46 jaar gewoond en gewerkt.

 

Het verhaal dat ik vanmorgen zal voorlezen, is het verhaal van Jona. En ook dat is niet toevallig. Misschien hebt u het al gezien maar in de hal en in de grote zaal hangen pastels van Juke Hudig die allemaal taferelen uit dit bijbelboek verbeelden. Juke Hudig zal op donderdagavond 1 november híer over het tot stand komen van dit werk komen vertellen. U bent allemaal zeer welkom. En in de week erop begint er een serie gespreksavonden over dit bijbelboek onder mijn leiding. Vanmorgen zal ik het verhaal in grote lijnen vertellen.

 

Bij de voorbereiding van deze dienst moest ik denken aan het bekende gedicht De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff. Er is jullie beiden veel aan gelegen om je kind het besef bij te brengen dat er van hem gehouden wordt. Want wie opgroeit in liefde zal, eenmaal groot geworden, verder durven springen. In dit gedicht is dat wat Nijhoff zich herinnert, hoe hij zich al vanaf zijn vroegste jeugd door de liefde en de trouwe zorg van met name zijn moeder gedragen weet. Hij realiseert zich dat de liefde van zijn moeder boven zichzelf uitwees en hem op het spoor van God heeft gezet.

 

De moeder de vrouw

 

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.

 

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

 

 

bijbellezing

Ik lees u het verhaal van Jona voor uit in eerste instantie de kinderbijbel van Karel Eykman en Bert Bouman en vervolgens uit wat ik maar even de ‘grote mensenbijbel’ noem:

 

Jona leefde in klein dorp op het stille platteland. Hij was een mopperaar. Hij wist het altijd beter en strooide zijn kritiek werkelijk op van alles en nog wat kwistig in het rond. Met name stoorde hij zich aan het grote leven in de nabijgelegen stad Nineve. Jona vond dat de mensen daar zich overgaven aan de talloze verleidingen die er op hen afkwamen. Dat zij zichzelf kwijtgeraakt waren en langs elkaar heen leefden. Op een zekere avond hadden de mensen in het café waar hij altijd kwam er genoeg van. ‘Als jij dat vindt, moet je dat niet steeds aan ons vertellen. Dan moet je naar Nineve gaan en het er met de mensen daar over hebben. Vertel over wat je denkt!’ ‘Mij niet gezien’, zei Jona. ‘Die lui daar zijn onverbeterlijk. Ik brand mijn vingers daar niet aan. Weten jullie wat ik doe? Ik ga weg van hier en reis precies de andere kant op, wég van Ninive.’

 

Jona ging naar Jaffa, de havenstad. Daar vond hij een vrachtschip dat bereid was hem mee te nemen, hij betaalde de vrachtprijs daarvan en ging scheep om met hen naar Tarsis te gaan, weg van het aangezicht des Heren. 4 Maar de Here wierp een hevige wind op de zee en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen. 5 De schepelingen werden bevreesd en schreeuwden … en zij wierpen de lading die in het schip was in zee om het daardoor lichter te maken. Jona echter was in het ruim van het schip afgedaald en hij had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen. 6 En de gezagvoerder kwam bij hem en zeide tot hem: Hoe kunt gij zó vast slapen! … 7 De schepelingen zeiden tot elkander: Komt, laat ons het lot werpen opdat wij te weten komen door wiens schuld dit onheil ons treft. Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hem: Deel ons toch mee door wiens schuld dit onheil ons treft; … wat hebt gij toch gedaan? Want die mannen wisten dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht des Heren want dat had hij hun medegedeeld. 11 En zij vroegen hem: Wat zullen wij met u doen opdat de zee ophoude tegen ons te woeden want de zee wordt hoe langer hoe onstuimiger. 12 Hij antwoordde hun: Neemt mij op en werpt mij in de zee en de zee zal ophouden tegen u te woeden. Want ik weet dat door mijn schuld deze zware storm tegen u is opgestoken. … 17 En de Here beschikte een grote vis om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten. 21 En Jona bad tot de Here, zijn God uit het ingewand van de vis. 10 En de Here sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge.

 

overweging

Onlangs las ik ergens dat de volken (of misschien moet ik zeggen: de culturen) van deze wereld te verdelen zijn in twee groepen: de ene groep staat met het gezicht naar de zee en de andere groep staat er met de rug naar toe. Wij Nederlanders zijn door de eeuwen heen altijd op de zee georiënteerd geweest. Wij zijn, zoals dat heet, een zeevarend volk. Maar de traditie waarin de bijbel is ontstaan had het niet op de zee, helemaal niet zelfs. In alle verhalen waarin de zee een rol speelt (en dat zijn er maar heel weinig), wordt zij als naargeestig en angstwekkend beschouwd. Zij wordt zij in verband gebracht met de dood. Deze traditie voelt zich meer thuis op het land, in het zand, op de deinende rug van het woestijnschip dat kameel genoemd wordt. Dat er van Jona verteld wordt dat hij wegloopt en zich in de richting van de zee beweegt mag dan ook als een veeg teken begrepen worden.

 

Jona (zijn naam betekent ‘duif’), Jona is in dubio. Aan één kant heeft hij het gevoel dat hij zijn vleugels uit moet slaan en naar Ninevé moet gaan. Hij zou daar met de mensen in gesprek moeten gaan over hoe zij hun levens inrichten en in hoeverre dat overeenkomt met wat zij zelf denken dat de bedoeling is. Maar aan de andere kant twijfelt hij. Hij ziet daar tegenop. Hij is bang zichzelf belachelijk te maken. Om af te gaan. Hij gaat het gesprek uit de weg, misschien wel vooral omdat hij het niet opbrengt zijn eigen veilige kaders te verlaten. We kunnen ons afvragen of hij niet vooral zichzelf uit de weg gaat.

 

Nineve, de grote stad, is in dit verhaal exemplarisch voor het leven zelf. Daar in Nineve kom je alles wat het leven te bieden heeft tegen. De mooie dingen als verliefde mensen, jonge kinderen, schoonheid en ontvankelijkheid. Maar in de drukke straten herken ook wat gulzigheid, xenofobie en geldingsdrang kunnen uitrichten. Je kunt er zien waar zowel het één als het ander toe kan leiden. Net als in het echte leven, dus.

 

Jona moet daar naartoe. Hij moet het leven onder ogen komen. Hij moet zich ertoe gaan verhouden. Dat is de uitnodiging. De vertellers bedoelen met dit verhaal iets te verbeelden dat ons allemaal aangaat. Ook dit korte bijbelboek wordt verhaald over waar het in het leven op aan komt. Waar het met ons naartoe moet. De weg van Jona is, zo zouden we dat kunnen noemen, een spirituele weg waarop hij leert te worden wie hij is.

 

In de ogen van de vertellers maken wij een denkfout als wij ervan uitgaan dat een mens het meest tot zijn recht komt als hij streeft naar een zekere vorm van ascese, als hij afstand houdt van het modische lawaai, van de trends die de toon zetten en van de make up die ons wil doen geloven dat de werkelijkheid zo kwaad nog niet is. Met andere woorden: als wij ons, al dan niet letterlijk, distantiëren van wat de massa’s daarbuiten menen en ervaren.

 

In dit verhaal wordt van Jona gevraagd het leven in zijn volle omvang tegemoet te treden. Hij moet de geborgenheid van zijn eigen, kleine, veilige wereldje verlaten. Dat is de manier om zichzelf onder ogen te komen en om te gaan ontdekken wie hij eigenlijk en uiteindelijk is. Al zijn heimelijke neigingen en verlangens, alles waar hij zo comfortabel op kan mopperen alsof het alleen anderen betreft, hij moet leren hérkennen en érkennen dat hijzelf geen haar verschilt van de mensen daarbuiten.

 

Maar Jona is daar niet aan toe. Zijn reisrichting is tegengesteld. Hij daalt af in de richting van die onheilspellende zee. Hij vlucht zover als mogelijk is wég van die stad, en dus wég van het leven zélf. Die gang, wég van wat je zijn bestemming zou kunnen noemen, is in de beleving van de vertellers een afgang. Ook letterlijk: naarmate hij verder verwijderd raakt van waartoe hij zich geroepen weet, zakt hij steeds dieper. Hij is een mannetje op de vlucht, een vogeltje dat wel wéét welk leven er bij zijn naam hoort maar dat niet voldoende lef heeft om daaraan ook invulling te geven. De verteller van het verhaal beschrijft het heel plastisch: in plaats van op te stijgen om óver muren heen in gesprek te gaan met de stad en met zichzelf, daalt deze duif áf, (1) naar Jaffa. Hij daalt af (2) in het schip, daalt af (3) in het scheepsruim en even later zal hij (4) nóg dieper zinken.

 

Het begint te stormen en het schip dreigt te vergaan. Wanneer de matrozen hem vastgrijpen en hem vragen of hij misschien weet waar dit kwaad zijn oorsprong vindt, klinkt wat hij zegt als een biecht. Voor hem is het duidelijk dat alle ellende een oorsprong vindt in wat hij intussen is gaan begrijpen als zijn ontrouw.

 

Jona heeft alle reden te wanhopen dat hij ooit nog vaste grond onder zijn voeten zal voelen. Hij heeft zijn bestemming gemist. Hij heeft gespeeld en hij heeft verloren. En dan kan de dood een toevlucht zijn: ‘Neem mij op en gooi mij in de zee’. En zij jonasten hem overboord, van je één, twee, drie.

 

En de zee hield op met woeden en Jona wordt opgeslokt door een grote vis. De duif zit in de vis, water rondom, een klein Jonaatje in de schoot van het dodenrijk, drie dagen en drie nachten.

 

Daar komt hij tot zichzelf. Het ingewand van de vis biedt de veiligheid en de geborgenheid van bij voorbeeld een kapel als deze. Het is de plek voor een mens om tot zichzelf te komen, om hardop de eeuwige vraag te stellen waar ieder mens een antwoord op zoekt: wie ben ik en waartoe leef ik?

 

Waar Jona nú dus is, daar bínnen, in de stilte van de wereld waarin hij is ondergegaan, dat is opmerkelijk genoeg óók de schoot waaruit hij opnieuw zal worden geboren. Een graf is het, waaruit hij na drie dagen en nachten zal opstaan, als een ánder, nieuwe mens!

 

Zo gaat dat in sprookjes en verhalen als deze. De Jona’s onder ons ontmoeten vele hindernissen onderweg. Zij hebben dat dikwijls over zichzelf afgeroepen, bij voorbeeld door al te gemakkelijk toe te geven aan cynisme en gemakzucht. Zij falen en vallen, en hun falen en vallen wordt ons beschreven als hun dood. Maar ieder kind weet dat Jona niet écht dood is. Zijn ondergang is tijdelijk en dient een hoger doel: hij wordt wedergeboren, stralend als nooit tevoren. Hij is gered om onder ogen te zien dat een mens geen toevalligheid is, geen incident in de geschiedenis dat alleen de stille weg van de wieg naar het graf aflegt maar dat geboren wordt om mens te worden, werkelijk méns.

 

Dat is nogal wat. Zoals het ook nogal wat is om een pasgeboren mens groot te moeten brengen. Want hoe doe je dat? Is het, om maar wat te noemen, je taak als ouder je kind tegen het leven te beschermen? Houdt je hem ervan weg omdat dat je het een veilige omgeving bieden wilt? Of leef je hem voor dat de grote wijde wereld een vindplaats is van de liefde van God? En zing je onderweg voor hem: ‘Prijs God, zijn hand zal je bewaren’?

 

In de praktijk maken wij de keuze tussen het één en het ander meestal niet eens zo bewust. De grens tussen het één en het ander is ook niet zo scherp te trekken. Maar wat een rol zal spelen is dat jij je kind gemakkelijker toevertrouwt aan wat jijzelf hebt leren vertrouwen en waar jij van kunt houden. Wat jij hebt leren wantrouwen en waar jij bang voor bent, zal je iets lijken te zijn om ook je kind voor te behoeden. Daarom vraag het grootbrengen van een kind om zelfkennis. Je zult je eigen angsten moeten leren kennen en moeten leren onderscheiden waar zij vandaan komen. Dreigt er werkelijk gevaar of ben je wellicht bang voor iets dat onlosmakelijk met het leven zelf verweven is? En wat is de kwaliteit van de liefde die je te geven hebt? Is het afschermend en dus gesloten? Of is het een open uitnodiging om werkelijk te gaan leven? Leer je je kind het leven met jouw ogen te beschouwen óf leer je het met heel eigen ogen in het rond te kijken?

 

Zo meteen zullen jullie beloven dat je jullie zoon zult opvoeden ‘in de geest van het evangelie’. En dat is misschien wel precies waarover het hier gaat: dat je hem leert dat het leven zelf in al zijn facetten te vertrouwen is. Het laten dopen van je kind begrijp ik als het uiten van de wens dat je kind het vertrouwen vindt zichzelf te worden – dat het het leven oorspronkelijk, onbevangen en vrijmoedig tegemoet zal treden. Wat je als ouders kunt doen is hem voor onderweg een verhaal meegeven dat de belofte van een behouden aankomst in zich draagt.

 

Het kan eigenlijk niet anders dan dat wat jij voor je kind wenst, dat jij dat voor jezelf ook zo graag zou willen. En wie niet? Zoals wij hier zitten, hopen wij allemaal onze kleinheid, onze zuinigheid en afweer achter ons te laten en te overstijgen om uiteindelijk vrijmoedig voor het leven te durven kiezen.

 

Als een klein, nat vogeltje ligt Jona op het strand. Zijn vleugels zijn nog klam van de geboorte, zilt van de zee en van de tranen. Maar hij is veilig nu. De zon zal zijn tranen drogen en de zee zal niet meer zijn. Hij is gered. Jona is weer boven water. Hij heeft weer grond onder zijn voeten en recht overeind gaat hij weg naar boven. Richting Nineve. Er heeft een omkering plaatsgevonden. Als nooit tevoren omarmt hij het bestaan. Hij gaat zijn volstrekt eígen weg.

Amen

 

inleiding op de doop

In een gesprek met doopouders, alweer enige tijd geleden, vertelde de jonge vader mij hoe hij noch zijn vrouw aanvankelijk ook maar een seconde over het laten dopen van hun kind hadden nagedacht. Het ritueel was in hun omgeving in onbruik geraakt. Het stond domweg te ver van hen af. Maar dat was veranderd en de vader wilde mij daarover graag vertellen. Na de geboorte van zijn kind stroomde hij bijna letterlijk over van verwondering, dankbaarheid en geluk. Hij leefde op een wolk. Hij had er geen woorden voor en was bijna letterlijk met stomheid geslagen.

En toen moest hij naar het Stadhuis om zijn kind aan te geven. En daar gebeurde het. Hij stond daar in een gang met grauw en bijna versleten linoleum op de vloer, achter de balie stond een trouwhartige ambtenaar een formulier in vullen. Het enige licht dat er scheen kwam uit, zoals hij dat zelf noemde, lullige tl-buizen. Opeens voelde hij zich vreselijk alleen. Alles daar in dat Stadhuis vloekte met de wereld waarin hij de dagen daarvóór had vertoeft. Die eerste uren en dagen na de bevalling had hij zich opgetild geweten. Op het moment dat ik hen sprak, durfde hij het woord in de mond te nemen: Gód was in de buurt geweest. Dat drong tot hem door in dat kille en zakelijke Stadhuis. En zo overviel hem opeens de onontkoombaarheid van het verlangen om op een holletje met zijn kind naar de kerk te gaan. Het mocht dan nu wel een burger zijn van het Koninkrijk der Nederlanden – hij had ervaren dat zijn kind eerst en vooral een burger is van het Koninkrijk van God. Thuisgekomen heeft hij deze ervaring toen schoorvoetend aan zijn vrouw verteld. En zij was zo ontroerd dat zij ervan moest huilen. En toen hebben ze mij opgebeld. Ik vertel dat omdat ik vermoed dat jullie dat herkennen. Toon Hermans schreef een gedichtje waarin hij iets vergelijkbaars onder woorden brengt.

 

Een mens is niet zomaar een dingetje, iets bloots.

Diep in dat dingetje verbergt zich iets groots.

Er woont een wonder in, iets ongelooflijk machtigs.

Een kind is meer dan alleen maar iets engelachtigs.

Ik weet niet wat het is, maar ik maak me sterk:

zo’n mensenkind is niet alleen maar mensenwerk

 

doopvragen aan de ouders

Vader en moeder Fokker – Bloys van Treslong,

beloven jullie je zoon met liefde en zorg te omringen,

steeds indachtig dat hij uit God geboren is?

Beloven jullie je kind te respecteren

met geloof in zijn oorspronkelijkheid en eigen mogelijkheden?

Beloof je je kind te begeleiden en te steunen

en het te helpen te worden wie hij is

Beloven jullie je kind te leren het leven

onbevangen en vertrouwensvol tegemoet te treden

en het daarmee op te voeden in de geest van het evangelie?

Wat is daarop jullie antwoord?

 

doopvragen aan de peetouders

Arnaud Frese en Cécile van Oppen,

beloven jullie met jullie liefde en vriendschap

de beide ouders bij te staan bij het grootbrengen

van hun zoon Ferdinand

en beloven jullie dat je hem

te allen tijd een open oor en een begripvol hart zult bieden?

Wat is daarop jullie antwoord?

 

Met welke namen willen jullie dat je kind gekend wordt?

 

FERDINAND JOHAN PIETER, IK DOOP U ..

 

zegenwens

MAAR IK, MET LOFZEGGING WIL U DANKEN. U HEBT MIJ HET LEVEN GESCHONKEN. U BENT MIJN REDDING. (Jona 2: 9)

 

gebed

Wij zoeken woorden voor onze dankbaarheid

dat wij hier veilig en geborgen bij elkaar zijn

en mogen nadenken over de vraag wie wij in wezen zijn.

Wij hopen op het vertrouwen en de moed

om af te zien van een leven in teken lijfsbehoud.

Wij bidden dat wij ons los zullen weten te maken

uit een angstvallig of krampachtig bestaan

dat wij opstaan uit onze onze schuld

en dat wij op een spoor gezet zullen worden

dat ons, dwars door alle afweer heen,

leidt naar een volkomen nieuw vertrouwen

in de onbevangenheid van een kind.

Amen

Het onbehagen in de cultuur, in ons eigen leven

Woudkapel                                                                                    zondag 2 oktober 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Gerard Zwart

 

liturgie

welkom, kaars etc.

zingen                                   NLB 657 (Zolang wij ademhalen): 1 en 2

gedicht                                 Zomernacht van C.O. Jellema

zingen                                 NLB 657: 4

schriftlezing                                    Mattheus 6: 25-33

zingen                                 pianospel

overweging

stilte

zingen                                 NLB 283: 1, 2, 3 en 4

gebed

stilte

Onze Vader

zingen                                 BB 36 (Komen ooit voeten ..)

zegen

 

schriftlezing

Mattheus 6: 25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten [of drinken], of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? 26 Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven? 27 Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? 28 En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: 29 zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. 30 Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen? 31 Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32 Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. 33 Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

 

overweging

Ook in de nu afgelopen week sudderden, het zal u niet zijn ontgaan, in de Tweede Kamer de zogenaamde politieke beschouwingen nog na. Tijdens deze debatten wordt het kabinetsbeleid zoals dat verwoord is in de troonrede tegen het licht gehouden. Hoewel dat maar zelden expliciet het geval is, is dit bij uitstek de gelegenheid waarbij om de spanning tussen, aan de ene kant, de feitelijke situatie waarin wij met z’n allen verkeren en, aan de andere kant, de samenleving zoals wij zouden willen dat zij is voelbaar zou moeten zijn. Tijdens die debatten zou de vraag door moeten klinken of wij in staat zullen zijn de kloof tussen de realiteit van vandaag en onze ideeën over hoe ons land er in de toekomst uit zou moeten zien te dichten. En hoe ontwikkelen wij ons van waar wij nu staan in de richting van een samenleving die wij als rechtvaardiger, slagvaardiger en bestendiger beleven. Langs welke wegen bewegen wij ons daar naartoe?

 

De spanning tussen de werkelijkheid, de realiteit waarmee wij nu eenmaal hebben te dealen én onze gedachten over een wereld en een samenleving zoals deze naar onze opvattingen zou moeten zijn is van alle tijden. Het is niet overdreven om te zeggen dat ons leven onder die precies die spanning geleefd wordt. Daarin verschillen wij van de dieren. Zij leven enkel in het hier en nu. Wij dromen onophoudelijk over hoe het ook zou kunnen zijn.

 

Het is dan ook niet voor niets dat deze zelfde spanning zich in vrijwel ieder Bijbelverhaal aandient. En omdat ik het vanmorgen graag met u over deze spanning wilde hebben, heb ik gezocht naar een verhaal waarin die spanning representatief naar voren komt. Met name heb ik gekeken naar het boek Exodus dat uitsluitend en alleen over dit spanningsveld handelt. Waarom ik uiteindelijk een andere keuze maakte, zal ik zo meteen vertellen. Dat boek Exodus vertelt in een meeslepende beeldtaal hoe ons leven zich afspeelt in de even eindeloze als uitzichtloze ruimte van de woestijn. Achter ons ligt de wereld die wij verlaten hebben en waar we niet naartoe terug kunnen. Daar zaten we vast aan oude ideeën, daar wisten we precies hoe alles in elkaar stak en vragen hadden we nauwelijks. Maar dat ligt achter ons. Soms worden we zomaar opeens overmand door heimwee maar er is geen weg terug. Het is voorbij, voorgoed voorbij. Nu ligt niets meer vast. Alles kan en alles mag. Grenzen lijken niet meer te bestaan. ‘Waar moet dat heen’, vragen we ons af, ‘met ons en met deze wereld?’ Het enige waarop wij ons kunnen oriënteren is een nauwelijks gearticuleerd vermoeden van een land, verborgen achter de verste horizon van ons bestaan, een land waar wij van dromen, waar wij op hopen en waar wij ons, als we de moed daartoe op kunnen brengen, aarzelend naartoe bewegen. Wij zaten in Egypte, in Angstland. Wij waren onderworpen aan vertrouwde machten die zich als vanzelfsprekend deden gelden. Maar zij hebben hun betovering verloren. Ze zijn ontmaskerd. En in de lege ruimte van het nu zoeken wij tastenderwijs een weg naar een Rijk waarin waarheid en waarachtigheid de toon zullen zetten. Alleen vertrouwen kan ons op onze tocht nog op de been houden.

 

Dat ik zo met dit thema in de weer ben, is naar aanleiding van een artikel van de hand van Bas Heijne dat hij alweer enkele weken geleden in de NRC schreef. Heijne was door de filosofen Frank Meester en Coen Simon gevraagd om het boek Het onbehagen in de cultuur van Sigmund Freud te lezen en vanuit het door Freud gekozen perspectief naar onze moderne samenleving te kijken. Freud schreef dit boek in 1930 toen de eerste tekenen van desintegratie in met name Duitsland zich aandienden. Het is dus niet zo verwonderlijk dat Meester en Simon vermoedden dat er verschillende parallellen tussen toen en nu te trekken zouden zijn.

 

In dit boek signaleert ook Freud die eeuwige spanning tussen de werkelijkheid, de realiteit waarin wij het hooft boven water moeten zien te houden én een samenleving zoals wij zouden willen dat zij is, zoals wij haar wensen of dromen. Hij benoemd e.e.a. met behulp van een aantal begrippen uit de psychoanalyse. Ik vertel u er kort iets over omdat dit artikel mijn denken over wat er zich in onze samenleving aandient heeft geholpen. In de eerste plaats noemt hij het zogenaamde lustprincipe: de mens is erop gericht een zo groot mogelijk geluk en genot te beleven. Wij willen het zo goed, gemakkelijk en comfortabel mogelijk hebben. Ik neem aan dat wij dat verlangen allemaal herkennen. Maar wat wij óók herkennen, is dat wij onze verlangens niet zomaar zullen kunnen uitleven. Dan zouden wij onszelf en elkaar niet te overziene schade toebrengen. Niet alles wat wij willen is ook mogelijk, in ieder geval niet meteen. Het besef daarvan is wat Freud het realiteitsprincipe noemt. Wat zich in mijn hooft en hart aandient, kan niet zomaar verwerkelijkt worden in de wereld waar ik deel van uitmaak. Ik heb immers te maken met een vaak hardnekkige werkelijkheid.

 

Dat het lustprincipe een dikwijls lastige relatie met het realiteitsprincipe heeft, moge duidelijk zijn. Die twee schuren en wringen. En niet zelden frustreert ons dat. Maar dat ik dat verdraag, is omdat ik wel inzie (begrijp) dat ik de buitenwereld niet zomaar even naar mijn hand kan zetten. Dat inzicht noemt Freud beschaving. Het is de beschaving die onze oerdriften temt en in banen leidt. Beschaving is dat wat ons helpt om ons besef van realiteit én onze gedachten over hoe het óók zou kunnen zijn met elkaar te combineren.

 

Maar, vervolgt Freud (en ik hoop dat u het mij toestaat hem nog een keer te citeren) maar beschaving is nooit een gelopen race. Driftmatige hartstochten kunnen sterker blijken dan rationele overwegingen of dan het verlangen naar rust en harmonie. Onze intrinsieke woede over de onoverbrugbare kloof tussen het lust- en het realiteitsprincipe kan aan de oppervlakte komen en zich een weg naar buiten banen. Dat kan op enig moment ontaarden in zelfs radicale pogingen om die vervloekte kloof te dichten. En in onze wanhoop lijkt er dan maar één weg te zijn: als de wereld zich niet aanpast aan mijn verlangens, dan moet die wereld maar vernietigd worden. Om hetzelfde wat deftiger te zeggen: dan moet het realiteitsprincipe ongedaan worden gemaakt. Freud herkende die neiging in de opkomende woede in het Duitsland van toen. Bas Heijne denkt hetzelfde te zien in onder meer de boosheid van de radicale islam en de aanhang van iemand als Donald Trump. In beide voorbeelden is de realiteit een dusdanig groot obstakel op weg naar een werkelijkheid waarvan wij dromen dat die realiteit uit de weg geruimd moet worden. Als dat niet goedschiks kan, dan kwaadschiks. Ikzelf vermoed dat er hiervan wel meer voorbeelden te geven zijn. En dat wij daarvoor tamelijk dicht bij huis kunnen blijven. Maar voor nu wil ik dat laten rusten.

 

Wat mij voor hier en nu een wezenlijk inzicht lijkt te zijn, is dat Heijne (of liever: dat Freud) duidelijk maakt dat wij over het algemeen voortdurend op zoek zijn (en blijven!) naar mogelijkheden om beide werelden met elkaar te verbinden, die van alledag en die van ons verlangen. Op enig moment ervaren wij de spanning tussen beide als vermoeiend, slopend of zelfs ondragelijk en dan blijken wij uitermate vindingrijk te zijn in het zoeken naar oplossingen voor het verminderen van de spanning.

 

Hoewel het artikel met name inzicht wil geven in de politieke structuren van toen en nu, begon ik mij al lezend af te vragen of dit nu niet precies óók datgene is waar het dat al eerder genoemde boek Exodus over gaat. En misschien mag ik het zelfs breder trekken en mij afvragen of wat Heijne beschrijft niet raakt aan het wezen van wat godsdienst is. Godsdienst is immers een niet onbelangrijk aspect van iedere cultuur. En misschien is wel met name de godsdienst het terrein waar wij zoeken naar de mogelijkheden om de spanning tussen het hier en nu en dat ‘aan de overkant van onze woestijn gelegen gedroomde land’ te overbruggen. Sommige van die mogelijkheden daarvan helpen ons, andere doen dat niet. Er zijn er die tallozen hébben geholpen en er zijn er die intussen naar de achtergrond gedrongen zijn omdat zij er niet langer mee uit de voeten kunnen.

 

Ik ga u drie ‘modellen’ noemen; drie voor, naar ik vermoed, voor iedereen herkenbare manieren om het hier en nu én het ooit en dan met elkaar te verbinden. Als eerste noem ik de gedachte dat het leven hier op aarde miserabel is, treurig en ellendig. Maar, zo wordt dan gezegd, al die pijn en ellende zal na onze dood vergoed worden. Dan wacht ons een bestaan van een dusdanige luister dat wij wat wij hier te verduren hebben op slag zullen zijn vergeten. Hier beneden is het niet; omhoog, omhoog het hart naar boven! Zo is in de beleving van velen gedurende lange jaren de kloof tussen de geleefde en de gedroomde werkelijkheid gedicht geweest, althans, zo was er een leefbaar perspectief op het gedicht worden van de kloof. Het tweede model dat ik u a noemen herinner ik mijzelf nog goed uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Toen waaide er een wind die ons land die maakte dat er op grote schaal geloofd werd dat als wij met z’n allen er de schouders onder zetten, wij die wereld waarin alles klopt wel kunnen bewerkstelligen. De maatschappij deugde niet. Maar omdat wij een helder beeld hadden van de maatschappij zoals zij zou moeten zijn, gingen wij vol geloofsvertrouwen aan de slag om die in alle opzichten betere want rechtvaardiger wereld te bewerkstelligen. Toen werd gedacht dat de kloof op die manier gedicht kon worden. Het altijd fnuikende cynisme had ons nog niet in zijn greep.

 

En zo is er in verloop van de tijd op alle mogelijke manieren gezocht naar begaanbare wegen tussen de inderdaad niet zelden bittere werkelijkheid en een fantasie van genoegdoening en gerechtigheid.

 

Ik moet zo langzamerhand afronden. En dat doe ik door te vertellen over een derde model waarvan ik vermoed dat dat in onze tijd opgeld doet. Ik zal dat doen aan de hand van het fragment dat ik u voorlas uit het evangelie naar Mattheus. Ook dit fragment nodigt uit om de kloof tussen beide al meermalen genoemde werkelijkheden te dichten. Maar dan op een eigen en nieuwe wijze. Nu speelt de factor tijd geen rol meer. Hier is het dichten van de al meermalen genoemde kloof geen kwestie van nú en láter of ooit. Mattheus laat zien dat beide werkelijkheden zich tegelijkertijd aandienen, althans voor wie het kan en wil zien. U en ik, wij zijn onnozele, sterfelijke wezentjes. Zeker. Maar tegelijkertijd zij wij niet minder dan een wonder. Als het erop aankomt zijn er geen woorden om te beschrijven hoe geheimenisvol ons bestaan toch is! En kijkt u eens naar de vogels in de lucht. Slim zijn ze niet. Gedachten hebben ze niet. Maar ze leven ons een onbevangenheid voor waar wij een puntje aan kunnen zuigen. En de schoonheid van de bloemen op het veld, hebt u die wel eens tot u door laten dringen? Kunt u daaraan tippen?

 

Dat koude land áchter ons en de onbegrensde hartelijkheid van het land achter wat voor alsnog onze horizon is, het laat zich niet op de landkaart vinden. Beide gaan schuil in ons hart, in onze ziel, te zelfder tijd. Het is een kwestie van kijken. En die andere manier van kijken, kunnen wij ons oefenen.

 

Ik wil besluiten met iets dat ik van de week op de radio hoorde vertellen. Bij de opening van de nieuwe stationshal van het Centraal Station in Utrecht is een uitermate onorthodox kunstwerk gekozen. Voortdurend lopen er daar vier kunstenaars (acteurs) rond die synchroon alledaagse handelingen van reizigers imiteren. Ze kijken op hun telefoons, lopen gehaast naar de perrons, zoeken in paniek in hun handtas en zo voort. En omdat zij dat precies tegelijkertijd doen, worden die gewone gebaren tot een dans. Zo beleefde de reiziger die er op de radio over vertelde dat tenminste. Zij had, gefascineerd kijkend, zelfs haar trein gemist.

 

Een paar dagen later stond wij weer op een van de vele perrons en hoorde hoe de omroeper een perronwisseling aankondigde voor de reizigers aan de overkant van het spoor waarbij zij stond te wachten. Ze zag hoe iemand geschrokken opkeek en zich naar de trappen haastte. Toen deed iemand anders precies hetzelfde, met precies dezelfde bewegingen. Daarna kwam er een groepje mensen volgens datzelfde patroon in beweging. En zo voort.

 

Ze zei: ‘Het was alsof ik naar een choreografie stond te kijken. En dat kwam door dat kunstwerk. Dat kunstwerk had mij anders naar de wereld leren kijken. Ik zag opeens de schoonheid van het gewone leven. Ik kreeg er een nieuwe, bijna, ja liefdevolle relatie mee.’

Amen

 

gebed

Wat ons in feite allemaal zoveel moeite kost,

is het leven dat ons gegeven is daadwerkelijk te léven.

Wij staan, althans dat is zo dikwijls ons gevoel,

in de coulissen

en wachten op het moment waarop wij geroepen zullen worden

om eindelijk het toneel te betreden,

aarzelend en angstvallig.

In onze meer en minder intieme vriendschappen,

maar ook in onze omgang met degenen met wie wij werken,

zijn wij dikwijls zo zuinig.

Wij houden zóveel achter dat er van werkelijke bloei nauwelijks sprake kan zijn,

bang als wij zijn onszelf te laten kennen,

en op onze kwetsbare kanten te worden

aangesproken.

En onze wereld, die onbeschrijfelijke compositie van

kleuren, geuren, smaken, klanken en gevoelens

overweldigt ons zó dikwijls,

dat wij ons er uit terugtrekken

en een eigen universum scheppen:

grijzer, stiller, vlakker,

dáár kunnen wij de angst te zullen verdwalen bedwingen,

dáár hopen wij onze verwarring de baas te blijven,

Maar omdat wij daarmee onszelf én de wondere, ons door u geschonken wereld zo schromelijk te kort doen, bidden wij

dat onze ogen opnieuw geopend zullen worden,

iedere dag … opnieuw en opnieuw,

amen

Om een zin… zondag 4 september

Hofpredikant Carel ter Linden

Hofpredikant Carel ter Linden

Woudkapel                                                                        zondag 4 september 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Gerard Zwart

In deze dienst staat de dichtbundel ‘Om een zin’ van Carel ter Linden centraal. Carel ter Linden zal zijn gedichten voordragen. De gedichten zullen worden afgewisseld door pianomuziek, uitgevoerd door Mirjam Karres.

 

liturgie

 

welkom, kaars, stilte etc.

zingen(staan):                                BB 51 (Uit vuur en ijzer): 1 en 2

gesprek met de kinderen

zingen:                                             Kinderlied

korte inleiding

orgelimprovisatie

voordracht:                           Om een zin

piano:                                               Kinderszenen op. 15, uit ‘Von fremden Ländern

und Menschen’ van Robert Schumann ( 1810 -1856)

voordracht:                          Gedichten

De dragers

Geheimschrift

De mongool

piano:                                               Sonate C dur L 104 van Domenico Scarlatti (1685-1757)

voordracht:                           Scheveningen

Scheveningseweg

Radiooverdenking

Kloosterkerk

Echo

De zee en ik

piano:                                  Reflets dans l’eau van Claude Debussy (1862 –1918)

voordracht:                          Gedenkteken

De mol

Marionet

Dubbelganger

piano:                                        Invention F dur van Johann Seb. Bach (1685-1750)

piano:                                               Iers liedje

voordracht:                           De kreeft

Coomatlaukane

Abbey Island

piano:                                   Cathédrale engloutie van Claude Debussy (1862 – 1918)

voordracht:                           Afscheid

Nabijheid

Coma

Storm

Nachttrein

piano:                                        Consolation (‘Troost’) van Franz Liszt (1811-1886)

voordracht:                           Dochtertje

Toegang

Laag tij

Winter

Jij

Tweezaam

piano:                                               Nocturne op. 9 no 1 van Frederic Chopin (1810-1849)

zingen (staande):                   BB 51 (Uit vuur en ijzer): 3

zegen

 

korte inleiding

Poëzie, maar ik kan beter zeggen dat kunst in het algemeen, nodigt uit om de

wereld met andere ogen te bezien. De dichter of de kunstenaar ziet iets

waarvan hij zijn publiek wil vertellen. Hij herkent in het ogenschijnlijk

alledaagse iets verrassend nieuws. Het is niet overdreven om te zeggen dat hij

verbinding heeft gemaakt met een wereld die schuilgaat áchter de zichtbare

werkelijkheid. Hij onthult deze ‘tweede werkelijkheid’. De dichter leidt ons op de weg naar

die andere wereld of werkelijkheid.

 

Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Hoe herkennen wij haar? Dat is nog niet zo

eenvoudig. Die andere werkelijkheid kent vele gedaanten. Zij kan ontroerend en mooi zijn.

Dan brengt zij voor de lezers of toehoorders een voor alsnog onopgemerkte of wellicht

verloren gegane schoonheid van het bestaan in beeld. Zij kan geestig en humorvol zijn. Maar

zij kan ons evengoed confronteren met pijn, verdriet of eenzaamheid. De dichter heeft ook

die gevoelens leren kennen en besluit ze in zijn gedichten onder ogen te zien. Dat is ook het

geval in de gedichten waar wij vanmorgen naar zullen luisteren. Ook in het leven van deze

dichter is het één en ander voorgevallen en samen met ons houdt hij aspecten daarvan

tegen het licht.

 

Ik beleef een dichter op zo’n moment als een vooorganger: hij gaat vóór op de

weg naar dat palet aan gevoelens en gedachten die zich schuil hielden achter de horizon van

onze believing. Hij laat zien dat de weg daar naartoe begaanbaar is, althans voor hem .. dus

waarom dan niet ook voor mij? Op die manier kan blijken dat waar ik blind of bang voor was

en zelfs trachtte te vermijden toegankelijker is dat ik vermoedde. Het is zelfs denkbaar dat ik

ga ontdekken dat wat mij aanvankelijk angstaanjagend en schrikwekkend voorkwam een

zekere schoonheid in zich bergt.

 

Door de eeuwen heen heeft de kunst een hechte relatie gehad met de

schoonheid, de esthetiek. Soms ligt die schoonheid voor het grijpen maar soms

ook niet. Dan moeten we ernaar zoeken. Want dat het een rol speelt, is vrijwel

zeker. Ik wil daarover, tot besluit, een enkel woord zeggen.

 

Wij zullen wellicht het begrip schoonheid vooral gebruiken voor wat er aan de buitenkant

aantrekkelijk uitziet. Het is een begrip dat slaat op de verpakking van iets: iets is mooi of

aantrekkelijk als het matcht met de omgeving en als het overeenkomt met wat wij hebben

geleerd dat mooi is. Om het heel flauw te zeggen: als het aardig stáát boven de bank. Maar

er is ook een ander soort schoonheid. En ik denk dat het in de kunst vooral daarover gaat.

 

Die schoonheid heeft te maken met het besef dat wij ons thuis mogen weten in

letterlijk álle aspecten van dit bestaan. Dat álles wat er op mijn weg komt en wat ik wellicht

liever niet wil zien, op de één of andere manier toch deel uitmaakt van wat mijn leven is. Het

is in harmonie daarmee. Ik ben niet wie ik ben ondanks wat er zich heeft afgespeeld op de

weg die ik ben gegaan maar ik ben wie ik ben dankzij wat er zich heeft afgespeeld op de weg

die ik ben gegaan. Mijn leven is een eenheid en vormt een doorlopend verhaal. En niets in

dat verhaal is zo lelijk, afschrikwekkend of angstaanjagend dat ik daarvoor weg zou moeten

(of: hoeven) lopen.

 

Precies daarom is kunst zo belangrijk. En daarom is het ook zo belangrijk dat de plaats die de

kunsten in onze samenleving innemen ook zo zorgvuldig gekoesterd wordt. Want als wij met

z’n allen zouden blijven hangen bij wat onze ogen in eerste instantie zien en bij wat onze

oren denken te horen, dan leven wij als in een gevangenis. Dan zitten wij opgesloten in een

letterlijk oppervlakkige perceptive van de werkelijkheid, in eigen, ingesleten opvattingen, in

oude en intussen vastgeroeste oordelen en noem maar op. Dit alles gaat voorbij aan wat er

óók te zien en te beleven is. En dan doel ik op de volkomen vrije werkelijkheid waarnaar

kunstenaars ons de weg wijzen – een uiteindelijke harmonie van wat schuurt en schrijnt en

aanvankelijk ongerijmd lijkt te zijn.

 

Kunst en de schoonheid waarover ik het spreek, is geen doel op zichzelf. Het is een middel

dat ons kan helpen de wonderderlijke werkelijkheid te leren kennen en omarmen die ons

verstand zo verre te boven gaat.

Amen

Een stukje van de koek

Pieter dichterbijWoudkapel Bilthoven                                                                     zondag 5 juni 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Gerard Zwart

 

liturgie

welkom etc.

zingen                                    NLB 23c (Mijn God, mijn herder): 1, 2, 3 en 5

inleidende tekst

piano- of orgelspel

schriftlezingen

zingen                                    NLB 316 (Het woord dat u ten leven riep): 1, 3 en 4

overweging

stilte

piano- of orgelspel

gebed

stilte

zingen                                    BB 42 (Nu nog met halve woorden)

zegen

 

inleidende tekst

Vanmorgen wil ik het met u hebben over het koesteren van een visioen van een wereld waarin alle mensen tot hun recht zullen kunnen komen, dus ook degenen die nu aan de zijlijn staan en moeten hopen een stukje van de koek toegeworpen te krijgen. Een van de mooiste gedichten uit de wereldliteratuur die een dergelijk visioen bezingt, is wat de ‘lofzang van Maria’ of het ‘Magnificat’ is gaan heten.

 

Lucas 1: 46 ‘Ik geef alle eer aan God.

47 Ik juich voor hem,

hij is mijn redder.

48 Hij koos mij uit,

mij, een heel gewoon meisje.

Nu zal iedereen over mij zeggen:

‘Zij is gezegend.’

49 Want God, die machtig is en heilig,

heeft iets geweldigs met mij gedaan.

50 Aan mensen die naar hem luisteren,

geeft hij zijn liefde, nu en altijd.

51 God heeft zijn kracht laten zien:

Trotse mensen jaagt hij weg,

52 en koningen pakt hij hun macht af.

Maar gewone mensen maakt hij belangrijk.

53 Arme mensen geeft hij veel,

maar rijke mensen krijgen niets.

54 God is zijn liefde voor Israël niet vergeten.

Daarom helpt hij zijn volk.

55 Dat had hij al beloofd aan onze voorouders,

aan Abraham en aan iedereen die na hem kwam.’

 

schriftlezingen

In de loop van het nu min of meer afgelopen seizoen heb ik met een groot aantal van u in verschillende groepen nagedacht over de samenvatting van eigenlijk de hele Bijbelse boodschap zoals deze gegeven wordt in het boek Exodus: de Tien Geboden. Aanvankelijk was het mijn plan om in het komende seizoen verder te lezen waar het Exodusverhaal ophoudt en dus een aantal verhalen uit Jozua te gaan lezen. Dat boek vertelt van het visioen dat degenen die door de woestijn trokken in beweging hield. Het beschrijft het wondere land aan de overkant van de rivier waarover zij aanvankelijk droomden en waarvan zij uiteindelijk vanaf de top van de berg een glimp hebben opgevangen.

Maar zoals ik zei was dat mijn aanvankelijke plan. In het programmaboekje dat eerdaags zal verschijnen zult u kunnen lezen dat de plannen zijn veranderd. U zult zich kunnen aanmelden voor twee gespreksgroepen. De eerste gaat over het pas verschenen boek van Daniel van Egmond en Juke Hudig over Jona(h). En de tweede is een groep waarin de zeven klassieke hoofdzonden aan de orde zullen komen.

 

Maar vandaag krijgt u desondanks een korte blik op dat boek Jozua. Nog even ter inleiding en om uw geheugen op te frissen: in het boek Exodus wordt verteld hoe een mensenleven lang door de woestijn trekken. Dan sterft Mozes, onze leidsman. Onder zijn leiding hebben wij een bestaan achter ons gelaten waarin wij ons niet thuis wisten. Waarin wij onvrij waren. En bang. En zonder de ruimte om ons te kunnen ontplooien tot wie en wat wij vermoedden te zijn. Mozes had ons het vertrouwen gegeven ons daarvan los te maken en op weg te gaan. Het was geen eenvoudige weg gebleken. Meermalen stonden wij op het punt op onze schreden terug te keren. Wij raakten verzeild in onderlinge spanningen en conflicten. We dreigden de weg kwijt te raken. Maar nu, te langen leste, zien wij het land dat wij tóen in onze fantasie zagen opdoemen in de verte liggen.

 

Mozes is gestorven. Letterlijk op de valreep. Hij zal niet met ons mee dat gedroomde land binnentrekken. Wij worden verondersteld op eigen benen verder te gaan. Nu moeten wij het zelf doen. De regels van het spel zijn gegeven; nu moet het spel gespeeld gaan worden. Die stap wordt in het verhaal verbeeld door het oversteken van de rivier de Jordaan.

 

Jozua 1: 1 – 5

1 Het geschiedde na de dood van Mozes, de knecht des Heren, dat de Here tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zeide: 2 Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk … 3 Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb. 4 Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, het gehele land der Hethieten, en tot aan de Grote Zee in het westen zal uw gebied zijn. 5 Niemand zal voor u in de weg staan; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven en u niet verlaten.

 

overweging

Wat ik hoop, is dat als u naar zo’n verhaal uit de bijbel luistert, u niet in de verleiding komt om het te begrijpen als een verslag van wat ooit ergens aanwijsbaar in de tijd en de werkelijkheid is voorgevallen. Ik hoop dat u ernaar luistert als naar een gedicht van een dichter die probeert zijn dieper gelegen beweegredenen, zijn bronnen van hoop en vertrouwen in beeldende taal aam te bieden. Het gaat in zo’n tekst over verlangen naar een werkelijkheid achter onze horizon, over vergezichten in de richting van een toekomst waarin wij zullen samenvallen met wat en wie wij ten diepste zijn. En vooral: waarin de humaniteit de toon zal zetten.

 

Het zijn teksten die eeuw in eeuw uit ter inspiratie zijn gelezen en doorverteld. En ook al doen wij ook hier daar pogingen toe, ik heb het gevoel dat kracht ervan in dit tijdsgewricht maar zeer ten dele wordt ervaren. Wij leven in een tijd waarin inspirerende toekomstvisioenen verlamd terzijde liggen. Wij stellen het over het algemeen zonder grootste vergezichten. Op velerlei terrein. In de politiek lijkt het veelal om de korte termijn te draaien en wordt vooral energie besteed aan het blussen van brandjes. In de kleine wereld van de individuele burger draait het om het consolideren van posities. Overal om ons heen spookt het. Er is sprake van serieuze dreiging waar het ons klimaat betreft, het leefmilieu loopt gevaar, de economie is instabiel, onze sociale zekerheden staan op de tocht en door de aanhoudende stroom vluchtelingen en arbeidsmigranten voelen wij ons aangetast in ons zelfgevoel of identiteit. Daarom is ‘hebben is hebben en krijgen is de kunst’ tot devies verheven. Vanmorgen wil ik het met u hebben over één aspect van die behoudzucht en wel over de in de media breed uitgemeten vragen rond discriminatie ten aanzien van nieuwkomers in de polders.

 

Het begin, alweer enige jaren geleden, met wat de ‘zwartepietendiscussie’ is gaan heten. In mijn beleving is deze er niet in geslaagd om een aantal fundamentele vragen aan de orde te stellen. Hij ontaardde in een heilloze loopgravenoorlog. Maar met name de laatste paar weken lijkt er hier een daar dan eindelijk een echt gesprek op gang te komen. In de NRC van gisteren arresteerde Bas Heijne de manier waarop de rapper Typhoon zijn aanhouding wereldkundig maakte als een aanzet daartoe. Typhoon poogde het gesprek uit te tillen boven het geschreeuw van de straat door op een rustige toon iets aan de kaak te stellen dat raakt aan het fundament van onze samenleving.

 

Maar eerst, ter inleiding, even dit. In Den Haag ben ik lid van een klein theologengezelschap dat maandelijks met elkaar luncht. Vorige maand zat ik aan tafel naast een vooraanstaande katholieke geestelijke. Hij kreeg het aan de stok met een van oorsprong rooms katholieke vrouw die tegenover ons zat. Zij vertelde zich intussen van die kerk te hebben losgemaakt om zich te vestigen als ‘ongebonden geestelijk verzorger’. Haar bewering dat zij zich als vrouw in de katholieke kerk gediscrimineerd voelde, deed hij af als onzin. ‘Vrouwen zijn anders dan mannen en daarom doen zij andere dingen en hebben zij andere taken’, betoogde hij. In zijn ogen is dat wat anders dan discriminatie. Het was duidelijk dat mijn overbuurvrouw zich niet begrepen voelde. Na enige aarzeling heb ik daarom hardop afgevraagd of het niet aan de vrouwen is om te zeggen of zij zich al dan niet gediscrimineerd voelen? Ik trok een parallel met de zwartepietendiscussie waarbij het naar mijn idee aan de gekleurde mensen is om te zeggen of zij zich gediscrimineerd voelen. Mijn standpunt is dat wie zichzelf tot de in de betreffende context gevestigde meerderheid kan rekenen zich in het gesprek uiterst terughoudend dient op te stellen.

 

Om maar met de deur in huis te vallen: daarom sta ik welwillend tegenover de politieke beweging Denk van Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk. Deze beide mannen willen de spreekbuis zijn van de intussen grote groepen mensen in dit land die het gevoel hebben aan de zijlijn te staan. O ja, al die mensen mogen meedoen (en zelfs meedelen) in onze verrukkelijke samenleving. Maar dan moeten zij het spel wel spelen volgende de regels die wij witte Nederlanders met elkaar hebben opgesteld. Als zij duidelijk maken ánders te zijn en dus ook andere spelregels willen opstellen, dan krijgen zij de kous op de kop.

 

Ik zeg er meteen achteraan dat ik mij realiseer dat er het één en ander aan te merken is op de manier waarop Kuzu en Öztürk dat doen en dat het hier en daar vast en zeker niet goed doordacht of naar buiten gebracht zal zijn. Maar wat mij betreft doet dat doet er even niet toe. Waar het om gaat is dat er een signaal afgegeven wordt dat blijkbaar niet tot ons wil doordringen. Kuzu en Öztürk hopen het monomane verkokerde en defensieve denken van de witte Nederlander aan de kaak te stellen.

 

Het probleem is zo oud als de wereld. Als kind zongen we ervan: Zo zijn onze manieren, zo zijn onze manieren. En al wie met ons mee wil gaan, die moet onze manieren verstaan. Wij zijn bereid om mensen van buiten te gedogen zolang zij zich gedragen zoals wij ons gedragen. Of zij daarmee zichzelf, hun families, het land waar ze vandaan komen of wie of wat dan ook in de steek laten of zelfs verraden, zal ons een zorg zijn.

 

Ik weet niet of u de term kent maar onder met name Surinaamse Nederlanders is het woord Bounty een scheldwoord. Een Bounty is bruin van buiten en wit van binnen. Het wordt gezegd tegen mensen met een kleurtje die soepel meedraaien in een overwegend witte samenleving. Dat wordt als hypocriet gezien omdat zij zich anders voordoen dan zij in wezen zijn. Toen ik dat voor het eerst hoorde, vond ik het grappig, dat herinner ik mij nog goed. Het heeft mij een aantal jaren gekost om te gaan begrijpen hoeveel pijn en schampere bitterheid er onder zo’n term schuil gaan. Veel nieuwkomers zien geen alternatief dan zichzelf te verloochenen. Tot de maat vol is. En die grens zijn we aan het naderen.

 

Het is een bekend patroon: een minderheid, iedere minderheid krijgt precies zoveel ruimte als de meerderheid die minderheid gunt. En hoe minder bedreigend de minderheid zich opstelt, hoe meer ruimte haar wordt gegund. Hoe beter een minderheid zich aanpast aan de manier van doen van de meerderheid, hoe meer zij zal worden omarmd. Maar als de minderheid invloed verlangt op het domein dat de zelfgenoegzame meerderheid beheert, wordt zij terug in haar hok gestuurd. Dan zijn de vooroordelen en clichés niet van de lucht. Dan ben je ineens weer die Surinamer, die jood, die Marokkaan, die Indischman, die homo of noem maar op.

 

Zeker sinds Bounty Sylvana Simons uit de kast kwam als iemand die zich ondanks de positie die zij verworven heeft gediscrimineerd weet, staat de discussie op scherp. Zij zeg er genoeg van te hebben te doen alsof er niets aan de hand is. Zij wil de pijn van het zwijgen niet langer verdragen. Want waarom zou ze? Zij en de haren, zij willen gezien en gehoord worden als volwaardige deelnemers aan deze samenleving. Ikzelf ben ervan overtuigd dat de weerstand tegen een beweging als Denk goeddeels wordt ingegeven door de angst dat de tijd gekomen is dat wij werkelijk zullen moeten veranderen.

 

Er zit iets in ons dat verdraaid taai is en dat ons ervan weerhoudt om de koek van harte te delen met wie van buiten komt. Als het om macht gaat (en wie de koek heeft, heeft de macht) is iedereen in aanleg conservatief. Letterlijk betekent dat: behoudend. Het is niet anders. Maar er kan zich een moment aandienen waarop dat conservatisme niet vol te houden is. Omdat het niet redelijk is, omdat er opstand dreigt of omdat het botst met het beeld dat wij hebben van hoe wij willen dat de samenleving eruit ziet en functioneert.

 

Precies dat wordt blootgelegd in het boek Exodus. Het vertelt hoe wij met z’n allen door louter woestijn trekken. Met andere woorden: wij staan op een droogje. Alle energie gaat zitten in het overléven. Opstaan, eten, werken, eten, slapen en weer opnieuw beginnen. Aan iets anders komen we niet toe, geen meeslepende idealen, geen inspirerende visie op waar het naartoe moet. Het pragmatisme zet de toon. Ach, natuurlijk dient zich zo nu en dan een nauwelijks gearticuleerd vermoeden aan dat het ook anders kan, maar dat besef verdampt even snel als het opkwam. Vérder moeten we. En dat niemand meer weer waar wij naar toe op weg zijn, nemen we op de koop toe.

 

En dan, zo wordt er verteld, zien wij op een mooie, zonnige dag in de verte ineens het land liggen dat wij herkennen van onze bijna vergeten dromen. Wát een weidsheid, wat een perspectief! Het strekt zich uit van de woestijn helemaal tot aan de Libanon, en van de grote rivier de Eufraat tot aan de zee in het Westen. En daartussen verrukkelijk grazige weiden, een land van melk en honing.

 

Het lijkt een droom te zijn. En de prangende vraag is of wij het vertrouwen opbrengen om inderdaad die rivier over te steken, wij, samen met onze reisgenoten én met al diegenen die zich in de loop van de tijd bij ons aangesloten hebben. Dat wij die rivier over moeten steken, betekent dat wij door de diepte moeten, wij moeten een prijs betalen voor de verwerkelijking van ons visioen …

 

In de Volkskrant van gisteren stond een schitterende reportage waarin gekleurde mensen waren gefotografeerd en gevraagd naar hun ervaringen met discriminatie. Al lezend rezen de haren mij te berge. Maar tegelijkertijd raakte ik onder de indruk van de originaliteit en vitaliteit van de geïnterviewden. In alles wat zij zeiden, klonk een niet gedoofd verlangen door naar een werkelijk met elkaar samenleven. Hun visioen is niet verdampt. Het wordt gekoesterd. Ik lees een aantal fragmenten uit het artikel voor:

 

Een uit Suriname afkomstige jeugdcoach zegt: Ik geef de jongens die ik coach mee dat iedereen zo zijn vooroordelen heeft. Kill them with kindness, leer ik ze. Het kan ook wel eens vermoeiend zijn, maar ik moet als jeugdcoach positief blijven. Als ik het al niet meer zie zitten, wat moeten die jongens dan?’

 

En een uit Kenia afkomstige kunstenaar: Racisme is hier vaak heel subtiel. Ik zie een angstige blik bij mensen, ze houden hun tas even stevig vast. Ik voel soms dat ik er net niet helemaal bij hoor. Maar ik wil het niet weten, het verpest mijn stemming. November vind ik de moeilijkste maand, vanwege de alomtegenwoordige Zwarte Piet. De rest van het jaar ben ik gewoon Odak, dan word ik niet met die figuur geassocieerd. Mensen met een andere afkomst praten vaak liever niet over dit soort dingen, ook ik wil liever positief zijn. Daarom ben ik erg blij dat de discussie over racisme nu wordt opengebroken.

 

Of een Iraanse vluchtelinge: Ik krijg wel eens vervelende opmerkingen. Dat jongens ‘vuile moslim’ roepen als ik voorbij fiets. Toen ik een T-shirt met een onleesbare, volgens mij Poolse tekst droeg, riep een klasgenote ineens: ‘Daar staat zeker ‘I love Bin Laden’ in het Arabisch!’. Ik schrok, maar sta nooit te lang bij die dingen stil. Die mensen weten gewoon niet beter, ik kan het ze niet kwalijk nemen. Ik heb één keer teruggescholden, maar reageer verder nooit. Zij gaan toch niet inzien hoe fout of kwetsend het is. Ik probeer veel dingen die vrienden van mij als kwetsend ervaren, positief op te vatten. ‘Allochtoon’ wordt als scheldwoord gebruikt, maar voor mij is het gewoon een Nederlander met een extra taal of cultuur.

 

Een geadopteerde Chinese jongen: Witte mensen kunnen zich niet echt voorstellen wat de impact van racisme is. Dat er vaak niemand naast je komt zitten in een volle bus of tram. Ik overweeg op Sylvana Simons te stemmen. Ik stond te juichen toen ik haar op tv de discussie over Zwarte Piet naar een hoger niveau zag tillen.

 

En, tot slot, een uit Turkije afkomstige persvoorlichter: Ook zoiets: als ik een baard laat staan en in de tram naast een oudere dame ga zitten gaat haar tas vaak meteen op schoot, haar handen erover heen. In baardloze periodes lijk ik met mijn betrekkelijk lichte huidskleur en lichte ogen niet op een buitenlander en heb ik in dezelfde situatie hele leuke gesprekken. Ik ben optimistisch ingesteld en zie zulke dingen meer als onbeleefdheid, maar het doet wel wat met je, als je wordt behandeld als potentieel gevaarlijk. Ik word niet boos, verdrietig is een beter woord. Toch blijft mijn instelling: doorgaan en hard blijven werken. Bij discriminatie: extra hard werken.

 

Maar ik weet niet of u het ook hoort maar tussen deze regels door klinkt een visioen van een wereld die er nog niet is maar waar wie zich daarvoor gevoelig betoont naar toe onderweg is. Wij leven in een tijd en in een wereld die mank gaat aan visioenen. Misschien is het een idee om wat dat betreft ons oor te luisteren te leggen bij wie aan de zijlijn staat. Daar bloeit het verlangen, daar wortelt de hoop.

 

Dat wij de afweer en de kramp achter ons laten en ons laten verleiden met hen mee te dromen én mee op weg te gaan naar dat wijdse land aan de overkant van de rivier.

Amen

 

gebed

Voor allen die hun lot niet kunnen dragen,

voor hen die lijden

en geen zin of uitkomst meer zien.

 

Voor allen die opstandig zijn

of uitgedoofd, verlamd;

voor hen die verbeten zijn en verbitterd zijn,

schamper en cynisch:

maak hen mild, open hun ogen opnieuw

voor de goedheid die er onder mensen mogelijk is.

 

Voor allen die gewantrouwd worden,

die leven onder de druk

van verdachtmaking en kwaadsprekerij.

Voor hen wier zelfvertrouwen wordt ondermijnd

door het harde oordeel van anderen.

Voor allen die geen begrip ontmoeten,

geen woord dat hen geneest,

geen mens die hen aanvaardt.

 

Voor allen die geremd en angstig zijn,

voor hen wier geweten verkrampt is en onvrij,

voor allen die onrustig zijn en gespannen,

onzeker, ten einde raad.

 

Voor allen die moedeloos worden

bij het zien van alle kwaad in deze wereld,

maar ook voor hen die optimistisch zijn,

voor allen die kracht uitstralen

en vriendschap kunnen geven,

voor wie vertrouwen hebben

en ons daarin delen,

dat zij staande blijven als zij worden beproefd

en nooit ontbreken in ons midden.

 

Pinksteren met Pieter Lootsma

Woudkapel Bilthoven                                                                  zondag 15 mei 2016 (Pinksteren)

 

voorganger               ds Pieter Lootsma

orgel en piano                    Gerard Zwart

hobo                          Arthur Klaassens

 

liturgie

welkom, licht, stilte etc.

zingen                                              BB 51                         -staande gezongen-

gesprek met de kinderen

kinderlied

inleidende tekst

hobo                                     Menuet en Gigue (uit de 1e suite voor cello solo) van J.S. Bach

schriftlezingen                    Genesis 11: 1 – 9.

Handelingen 2: 1 – 6

zingen                                              NLB 655: 1, 2, 3 en 4

overweging

stilte

piano en hobo                                Canzona in g klein van Johann C. Kerll

gebed

hobo                                     Fantasie in b klein van G.Ph. Telemann

Onze Vader

zingen                                              NLB 672: 1 en 6                    -staande gezongen-

zegen

 

inleidende tekst

Jaren lang heb ik in elk geval het gevoel gehad dat deze feestdagen een soort verjaardag zijn van iets dat ooit in het verleden zou zijn voorgevallen en dat wij dus iets her- of gedenken. Ik ben benieuwd of u dat herkent? Natuurlijk was ik mij er tegelijkertijd van bewust dat dat wat ‘toen’ gebeurd is ook nog iets voor ons te betekenen heeft en dat het dus ook om iets tijdloos ging dat we herdenken maar dat verjaardagsgevoel ging nooit helemaal weg. Dat ook ik, onbedoeld en ongewild, de neiging had de verhalen die bij de verschillende feestdagen werden gelezen tot op zekere hoogte als historisch te lezen, zal dat alleen maar hebben versterkt.

In toenemende mate word ik mij ervan bewust dat wij op bij voorbeeld deze Pinkstermorgen niet iets tastbaars in de feitelijke wereld herdénken maar dat wij stilstaan bij een bij ons allemaal ingebakken mogelijkheid. En omdat die mogelijkheid die wij allemaal, meer of minder verborgen, met ons meedragen als heel wezenlijk werd gezien, kozen ze een dag in het jaar uit om daarbij stil te staan en om de verhalen die van die mogelijkheid getuigen opnieuw te lezen.

Met Kerstmis maken wij ruimte om ons te herinneren dat onze donkerte niet het laatste woord hoeft te hebben. hoe klein en broos wellicht ook, er gloort iets in de nacht. Kerstmis nodigt uit om daar oog voor te krijgen.

Met Pasen staan wij stil bij onze mogelijkheid om op te staan uit alles waarin wij denken te moeten berusten. Wij hoeven niet te capituleren voor welke status quo dan ook. Wij hebben het in ons om daarmee te breken en een nieuw begin te maken.

En vandaag vieren wij dat de scheiding tussen wat goddelijk en wat menselijk is een illusie is. Alles wat wij god toedichten, maakt deel uit van onze eigen bagage.

 

Van oudsher wordt daarbij het verhaal gelezen van Mozes die met de stenen tafelen waarop de Tien Geboden staan de berg Gods afkomt. Hij geeft ons dat goddelijke visioen in handen. Wij kunnen het ons eigen maken, wij eigen het ons toe. Het staat in onze harte gegrift en wij laten ons erdoor inspireren. Als wij willen weten wat waar is en waarachtig, als wij op zoek gaan naar wat werkelijke vrijheid is, is het nergens voor nodig verwachtingsvol naar de hemel te staren. Wij kunnen de kennis daarover opdiepen uit ons eigen hart. Pinksteren is daarom het feest van de uiteindelijke emancipatie van de relatie tussen God en ons mensen.

 

Ik lees het gedicht Bevrijding III van J.W. Schulte Nordholt, Bevrijding III

 

schriftlezingen

Genesis 11: 1 De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak. 2 Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. 3 En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4 Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. 5 Toen daalde de Here neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, 6 en de Here zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. 7 Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. 8 Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. 9 Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de Here hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft.

 

Handelingen 2: 1 En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3 en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4 en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. 5 Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; 6 en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

overweging

Iemand vroeg mij om een gesprek. Hij wilde het hebben over de vraag wie of wat God is, over wat hij zich bij die drie letters voor moet voorstellen. In de loop van de tijd was hij vooral gaan zien wat God allemaal níet is. Maar hij was eraan toe het één en ander wat transparanter te maken en woorden te vinden voor wat God voor hem betekent. Hij had het gevoel tekort te zijn geschoten in de opvoeding van zijn kinderen. Niet alleen ging geen van hen ooit nog naar een kerk, zij leken bovendien geen enkele affiniteit te hebben met die traditie die voor hem zo wezenlijk was. Toen hij met zijn vraag bij mij kwam, woog dat mee, dat hij zijn kinderen zo graag zou willen kunnen vertellen over hoe hij zich thuis weet in zijn geloof.

 

In de loop van ons gesprek neigde hij er meermalen toe de vraag toch maar te laten rusten. Twee gedachten speelden daarbij een rol. De eerste was dat hij inzag dat woorden hem niet dichter bij een antwoord brachten. Hij herinnerde zich een zin uit het boekje Geloven in een god die niet bestaat van Klaas Hendrikse dat ‘god niet bestaat maar gebéurt’. Misschien moest hij het daar maar op wachten. Hij zou niet weten hoe dat eruit zou moeten zien maar hij zag geen alternatief meer. De tweede gedachte die opkwam was eigenlijk meer een ervaring. Tal van keren had hij geprobeerd met zijn familie over zijn geloof te praten. Maar evenzo vele keren was het uitgelopen op iets dat leek op ruzie. Hij voelde zich ten ene male onbegrepen en zijn familie bekeek hem dan wel meewarig dan wel schamper, beide, zowel het een als het ander, vanwege zijn in hun ogen achterhaalde en sentimentele ideeën. Letterlijk zei hij: we spreken een volstrekt verschillende taal en ik geef het op om nog te proberen de kloof te overbruggen.

 

We stelden de vraag wat de reden zou kunnen zijn dat hij zijn kinderen zo graag over zijn godsvertrouwen wilde vertellen. Dat bleek heel genuanceerd te liggen. Hij wilde dat zijn kinderen hem zouden begrijpen. En een aspect daarvan was dat hij het zo slecht verdroeg dat zij hem zagen als iemand die het spoor bijster was, die niet meer helemaal ernstig genomen kon worden en met wie je bepaalde gesprekken dus maar beter niet kon voeren.

 

Ik ben niet zo goed thuis in de bijbel als wellicht van mij verwacht mag worden. Maar op enig moment kwam, al pratende, het verhaal van de toren van Babel in mij op en ik vroeg hem of hij het goed vond als ik het er eens bij zou pakken. Helemaal zeker van mijn zaak was ik niet en ik was al ten dele gerustgesteld toen ik zag dat dat verhaal maar een paar regels behelst. Met enige aarzeling las ik hem die regels voor. En tot mijn verbazing sloeg hij meteen aan op het vierde vers waarin de woorden staan: Laten wij ons een naam maken. ‘Zou dat verlangen mij parten spelen?’, vroeg hij, ‘is dat waar ik mee bezig ben, mij een naam te maken?’ We spraken erover wat dat zou kunnen betekenen. En in hoeverre daar in zijn geval sprake van was. We kwamen er niet helemaal uit maar dat zoiets als de angst om naamloos ten onder te gaan hem parten speelde, werd wel duidelijk. In het brede palet van bedoelingen om zijn kinderen over zijn religieuze gevoeligheid te vertellen, bleek dat een in het oog springende kleur te zijn. Het idee om op een zekere dag onbegrepen en dus niet gekend te moeten sterven bleek een schrikbeeld te zijn.

 

In het afgelopen jaar heb ik hier met ik geloof een drietal groepen in telkens zes bijeenkomsten de Tien Geboden gelezen. Het leek mij aardig om nu, met Pinksteren, nu het seizoen zo’n beetje voorbij is, afscheid van deze teksten te nemen door er ook in een dienst wat over te zeggen.

 

We zagen dat de Tien Geboden een kernachtige samenvatting vormen van wat die oude schrijvers en vertellers zich bij vrijheid voorstelden. Met z’n tienen vormen zij de definitie van een volkomen vrijheid. Vanmorgen beperk ik mij tot een paar opmerkingen over alleen het eerste gebod: Ik ben de God die jullie uit Egypte heeft bevrijd, uit de slavernij. Andere goden verdienen het niet om te worden vereerd. Om een idee te kunnen krijgen van wat hier bedoeld is, moet u weten dat het Hebreeuwse woord voor Egypte zoiets als Angstland betekent, het land waar je onvrij bent omdat angsten je op de hielen zitten. Het is dan ook niet zozeer een topografische aanduiding van een staat maar verwijst veeleer naar een state of mind. Waar dit gebod toe uitnodigt, is het inzicht dat alle machten die op ons inwerken en die wij geneigd zijn als absoluut en onontkoombaar te beschouwen, waar wij, met andere woorden, voor buigen, uiteindelijk grenzeloos betrekkelijk zijn. Wij laten ons een oor aannaaien. Wij dansen naar de pijpen van werkelijk van alles en nog wat. Veelal uit angst. Of uit gehoorzaamheid. Maar Angst en Gehoorzaamheid zijn twee broertjes die hand in hand door het leven gaan. Er komt een dag waarop alles waar wij voor buigen en onze oren naar laten hangen niet zoveel voor zal blijken te stellen. Dan zullen wij het één en andere in de juiste verhoudingen kunnen zien en al die machten het relativeren. Ál die machten op één na. Er is maar één die overeind blijft. En dat is het momentum waarop jij je angsten achter je liet, waarop je rechtop ging staan en een eigen stem en een eigen gezicht kreeg. Dát momentum, houd dat vast, keer daar naar terug en laat je daardoor dan gezeggen.

Dat zogenaamde ‘Egypte’ kan heel uiteenlopende gedaanten aannemen. Zoals er tal van (vaak karikaturale) fantasieën leven over wat bevrijding en vrijheid is, zo bestaan er ook tal van karikaturen van wat onvrijheid is. Vrijheid in de bijbel is het beschikken over de mogelijkheid gestalte te geven aan jouw oorspronkelijkheid, om ‘ja’ te zeggen op wat jij jouw exclusieve roeping weet te zijn. En onvrijheid is wat jou daarvan afhoudt. En met name die onvrijheid kent vele gezichten zoals bij voorbeeld het hopeloze gevoel dat de wereld en de mensen je op de hielen zitten. Overal loop je op tegen je plichten en verplichtingen, verantwoordelijkheden en zorgen. Almaar dat eindeloze móeten. En waartoe het uiteindelijk leidt? Brengt het je ergens? Of houd je jezelf voor de gek met een waan over wie en wat jijzelf bent en van wat er van je wordt verlangd? Ach, je bent niet eens meer bij machte een antwoord te zoeken op de vragen die er op je afstormen. Daarvoor ben je intussen te moe. En misschien wel te bang. Deep down zou je het liefste helemaal alleen met jezelf willen zijn, geen anderen die aan je trekken. Je zou de dekens over je hoofd trekken en nergens aan hoeven denken. Hoe aanlokkelijk dat ook mag klinken, in de bijbel wordt dat met onvrijheid geassocieerd.

 

Het overkomt mij met een zekere regelmaat dat bruidsparen contact zoeken en in het kennismakingsgesprek voorzichtig opbiechten dat zij eigenlijk nooit in de kerk komen. ‘Maar’, volgt er dan, ‘wij leven wel naar de Tien Geboden’. Wat zij bedoelen is dat zij die Tien Geboden hebben leren lezen als een samenvatting van de christelijke ethiek of moraal. En die hebben zij zich naar eigen zeggen eigen gemaakt: zij gaan wel niet ter kerke, maar zij spreken netjes met twee woorden, vloeken met mate, betalen belasting, stelen en doden niet en zij zijn voor alsnog niet van zins hun aanstaande huwelijk op te breken.

 

Natuurlijk is daar allemaal niets mis mee. Integendeel zelfs. Goed en verantwoordelijk gedrag vormt de basis van een volwassen samenleving. Maar het is een misvatting te denken dat die Tien Woorden zich daarover uitspreken. Die bruidsparen plaatsen ze, evenals vele anderen, in het domein van de moraal. Daarin vergissen zij zich. We hebben het hier over religie, en over spiritualiteit. En wie te rade gaat bij de momenten waarop hij werkelijk religieus ontroert was, weet dat religie en moraal op een uiterst gespannen voet met elkaar staan.

Ik ben de God die jou uit Egypte bevrijdt, houd mij in ere. Je ontmoet mij op het moment dat je die dekens die je over je hoofd getrokken hebt, opslaat en het zonlicht je ogen raakt. Wanneer je de vogels hoort zingen en jij je op een wonderlijk nieuwe manier ontspant. Dat is geen morele oproep; het is een ervaring die beloftevol boven zichzelf uitwijst – zoals al die Tien Geboden woord geven aan momenten waarop wij de weg vinden, wég uit onmacht en krampachtigheid.

 

Ik kom nog even terug op het gesprek waarmee ik deze preek begon, dat gesprek over de vraag of er woorden zijn voor wie of wat God nu eigenlijk is. Dat gesprek had een wonderlijke en onverwachte afloop. Omdat wij geen van beiden haast bleken te hebben, vertelde hij nog even over recente wandelvakantie met een van zijn zoons in Frankrijk. Het was een belevenis geweest om zo met zijn zoon op stap te zijn. Het wondermooie glooiende landschap met in vrijwel ieder dorp een Middeleeuws kerkgebouw had bij vader de behoefte opgeroepen over zijn godsvertrouwen te spreken. Maar had zich ingehouden. Zijn zoon leek zijn religieuze ontroering niet te delen. Het leek alsof zij verschillende talen spraken. Soms liepen zij uren zwijgend naast elkaar. Naarmate de dagen verstreken kwam de vader meer een meer onder de indruk van de schoonheid van zijn zoon. Niet alleen van zijn krachtige lichaam, maar vooral van zijn denken en voelen. De jongen vertelde over zijn werk in de zorg voor mensen met zowel een geestelijke als lichamelijke handicap. Die mensen waren in de manier waarop hij erover sprak ten volle ménsen, hun tekorten ten spijt. En bovendien was zijn relatie met hen tot verbazing van zijn vader volstrekt wederkerig. Zijn zoon vertelde hoe hij zich in zijn werk herkend voelde in wie hij in wezen is.

 

Nu moet u letten op de beelden die ik gebruik. Want ze zijn allemaal ontleend aan het Pinksterverhaal uit het boek Handelingen en ik hoorde ze terug in het verhaal dat de vader mij vertelde.

 

Met dat de dagen verstreken ging er een andere wind waaien in de omgang van vader en zoon. De vader ging zijn zoon met nieuwe ogen bezien. De verhouding draaide zich om. Zijn verlangen te vertellen over wat hem bewoog en bezighield verdampte en hij kwam terecht in de rol van toehoorder, luisteraar. Het eenvoudige enthousiasme van zijn zoon raakte hem meer dan hij voor mogelijk had gehouden. Maar pas toen hij mij dit verhaal op de valreep van ons gesprek vertelde, realiseerde hij zich als een donderklap bij heldere hemel, dat zij, zijn zoon en hij samen in Frankrijk, dan wel niet over God spráken maar dat God daar gebéurde! Gezamenlijk liepen zij verder, de volgende heuvel op. En bovenop gekomen keken zij uit op een

‘land in een vernieuwde luister,

vol belofte en vertedering,

vrijheid als een zon in ieder ding. (uit: Bevrijding III van J.W. Schulte Nordholt)

Amen

Luisteren naar de stem van ons hart

dinekeWoudkapel Bilthoven                                                                     zondag 1 mei 2017

 

voorganger:               ds Pieter Lootsma

organist/pianist:     Gerard Zwart

in deze dienst zal de kunstenares Dineke Groenhof – Blauw een presentatie geven over haar werk waarvan een gedeelte deze maanden in de Woudkapel te zien is.

liturgie

welkom, kaars etc.

zingen                                                NLB 275: 1, 3 en 4

inleidende tekst

piano                                     improvisatie

presentatie                           ‘Aandacht’ met muziek van Del Silencio

zingen                                                BB 35: 1 en 3 (melodie: Een roze fris ontloken)

schriftlezing en overweging

stilte

presentatie                           ‘Overgave’ met muziek van Del Silencio

piano                                     improvisatie

gebed

zingen                                                NLB 791: 1, 2, 4 en 6

zegen

 

inleidende tekst

Vorige week had ik een gesprek met een Egyptische moslim die ik onlangs heb leren kennen. Hij vertelde mij hoeveel moeite hij heeft met het beeld dat er in dit tijdsgewicht van de islam wordt geschetst. Maar bovendien wond hij zich op over geloofsgenoten hier in Nederland die er niet toe kunnen komen zich te distantiëren van de ellende die enkele andere moslims aanrichten. Niet dat zij dat goedkeuren, integendeel. In vrijwel iedere moskee die hij kende heerste een grote afschuw van die gewelddadige islam. Maar waar die afschuw toe leidt, is vooral verwarring en onenigheid over de vraag hoe ermee om te gaan. Hij vertelde zich daarom in eigenlijk geen enkele moskee thuis te voelen omdat hij weigert om met andere moslims collectief in een slachtofferrol terecht te komen. Hij wil een lans breken voor de blije en barmhartige islam die zich uit zijn jeugd herinnert. Hem is altijd verteld dat het woordje ‘islam’ niets anders betekent dat ‘overgave’. Dat is waar het in het leven op aankomt, dat wij ons zullen kunnen overgeven aan, toevertrouwen aan wat het leven nu eenmaal voor ons in petto blijkt te hebben.

 

Overgave is in die betekenis dus iets anders dan wat militairen of politici doen als zij een oorlog hebben verloren. Dan is het zoiets als onderwerping die gehoorzaamheid veronderstelt. Nee, wat hij bedoelde, komt er op neer dat wij ‘ja’ durven zeggen op die stille stem die opklinkt uit ons hart. Die stem die alle drukte die onze dagen vult relativeert. die onze zorgen en zorgjes in een ander licht plaatst. en die ons uitnodigt de ruimte in te nemen die ons met onze geboorte gegeven is. En die van ons vraagt het te wagen met al die onvermoede talenten en eigenschappen die bij ons zijn ingebakken.

 

Vanmorgen zal Dineke Groenhof Blaauw ons vertellen, ons laten zien én laten horen hoe zij precies dat doet als zij aan het werk is. Zij doet dat aan de hand van twee thema’s: in de eerste plaats ‘aandacht’ en daarna, inderdaad, ‘overgave’. Maar eerst neemt Gerard Zwart ons mee op de vleugels van zijn muziek.

 

schriftlezing en overweging

Ik lees een paar regels uit het begin van het evangelie naar Mattheus waarin verteld wordt hoe een viertal vissers besluit om Jezus te volgen.

 

Mattheus 4: 18 Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers. 19 En Hij zeide tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken. 20 Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem. 21 En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en Hij riep hen. 22 Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem. 17 Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

 

Zoals dat voor de meesten van u zal gelden, heb ook ik dit verhaal altijd gelezen als iets dat zich tussen Jezus en zijn leerlingen afspeelt. Het zou dan geschreven zijn om mij duidelijk te maken dat ook van mij een dergelijke gehoorzaamheid verwacht wordt. Die vier vissers worden mij ten voorbeeld gesteld. Maar vanmorgen wil ik eens een andere manier van lezen voorstellen. We lezen dit fragment vandaag als een geheimenisvolle verbeelding van een gesprek dat ik met mijzelf voer. Of, anders gezegd, als een schildering van een dynamiek die zich in mij voltrekt. De verschillende personages in het verhaal representeren verschillende kanten van mijn persoonlijkheid. Om het allemaal wat dichterbij te krijgen, nodig ik u uit om te proberen onder de oppervlakte van het verhaal te kruipen.

 

Jezus trekt rond en vertelt te midden van het vertwijfelde en aangevochten volk aan eenieder die het horen wil van de bron van waaruit hij leeft. Zo ook aan Simon, Andreas, Jacobus en Johannes. En als hij hen dan uitnodigt om hem te volgen, laten zij alles uit hun handen vallen om zich met hem te verbinden.

 

Die Mattheus moet een uiterst sensitieve man zijn geweest. Want de manier waarop hij wat hier gebeurt verwoordt, is zo mooi dat alleen een dichterlijke geest dat kan. Hij laat het een ontmoeting vlakbij de zee zijn. En dat is geen topografie maar het is een plek op de levensweg. Dáár speelt hun leven zich op dat moment af, aan de oever van de zee, op de grens van leven en dood en van droom en daad. Daar, aan die oever komt een andere dimensie van het bestaan hun levens binnengewaaid. Hij komt tastbaar dichtbij en weet hen zo te raken dat zij er niet meer omheen kunnen. Zij laten zich weglokken uit de talloze verslavende beslommeringen van alledag.

 

Die ‘andere dimensie’ komt hun leven binnengewaaid in de persoon van Jezus. Hij komt, dat voel je onmiddellijk, ‘van de overkant’. Hij komt van ‘van over het water’. Met wat hij vertegenwoordigt, met dat waar hij in deze verhalen gestalte aan geeft, kun je naar Engelenland varen want de sleutel is niet langer gebroken, er is een Timmerman die de sleutel maken kan. ‘Het koninkrijk van de hemel is nabij’, klinkt het dan ook aan de oever.

 

Die zee van Galilea wordt in het Arabisch Al ajin Allah genoemd, het ‘oog van God’. In dit water wordt de hemel weerspiegeld. Je kunt er de wolken in zien drijven. En de zon. En je ziet er de blijmoedige vogelen des hemels in voorbij trekken. Wie erin kijkt, ziet God zelf aan.

 

Daarmee verschilt dat water hemelsbreed van Auschwitz-monument van Jan Wolkers in het Wertheimpark in Amsterdam. Wellicht dat u het kent? Ik vind het een van de meest indrukwekkende oorlogsmonumenten die ik ken. Het biedt een ervaring die haaks staat op wat die vier vissers uit het verhaal van Mattheus overkomt. Het monument bestaat uit een enorme liggende spiegel die vol diepe barsten zit. Erbij staat een tekst die zegt dat ná Auschwitz de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld wordt. De krassen en barsten die wij daar zien herinneren ons voor altijd aan de geschonden levens van de slachtoffers van de onmenselijke vernietigingskampen. En zij herinneren ons aan het geschonden aangezicht van God.

 

Maar ons verhaal van vanmorgen tilt ons boven die ervaring uit. Jezus gaat langs een gave zeespiegel. Hij ziet Simon en Andreas. En Jacobus en Johannes. En zij zien hém. En zij voelen dat God in de buurt is: ‘God dient zich in ons midden aan, voelbaar en tastbaar. Hij wordt weerspiegeld door de oppervlakte van de zee!’. En hun verwondering gaat gepaard met een diep gevoeld besef van vrijheid, onafhankelijkheid, ruimte en kracht. Dat zij vervolgens hun netten achter zich laten en afstand nemen van de zekerheid die hun werk, of dat zij hun vader en moeder vaarwel zeggen om zelf iemand te worden, is dan ook nauwelijks een beslissing die zij nemen. Zij stappen enkel in de gastvrije ruimte die hen overkomt.

 

Dat Mattheus deze twee tweetallen ten tonele voert, is niet zomaar. Met hen illustreert hij hoe twee krachtenvelden getackeld worden, twee verschillende krachtenvelden waarin iemand met huid en haar verstrikt kan zitten en die hem kunnen belemmeren zich open te stellen voor de uitnodiging die klinkt van over zee. Het eerste broederpaar, Simon en Andreus, illustreert dat wanneer je het waagt op die uitnodiging in te gaan, dat het loslaten van je maatschappelijke positie kan betekenen. Die twee geven hun beroep en hun broodwinning op. En dat tweede broederpaar illustreert dat het ernstig nemen van die aangewaaide stem kan betekenen dat je je ouders moet loslaten. Die twee laten, net als Vader Abraham dat indertijd deed, hun familie achter zich.

 

Wij zijn in onze eenvoud dikwijls geneigd iemand met zijn beroep te vereenzelvigen. Iemand ís dan wat hij dóet. Zijn beroep, zijn status en de daarbij behorende levensstijl worden zijn identiteit. Dan is hij meneer Visser, mijnheer Slachter, mijnheer Kaptein, mijnheer de Graaf of mijnheer de Boer. En wij vergeten gemakshalve dat die functies of posities vaak niet veel meer zijn dan een verzekering tegen allerhande ellende: armoede, uitstoting en verwerping. Of zij zijn een pleister op de wonde van het gebrek aan erkenning. Áchter die werker gaat heel iemand anders schuil. Waar het dus om gaat, is dat de aanraking door die winv van overzee de plaats die je werk in je leven inneemt kan veranderen. De verhouding tussen werk en de rest van je leven zou wel eens kunnen worden omgedraaid.

 

Net zomin als wij zijn wat wij doen, zijn wij als het erop aankomt alleen maar het product van hun ouders. Van Jacobus en Johannes wordt verteld dat zij de zonen van Zebadeus zijn. Wij weten wie hun vader is. Maar het zou een misverstand zijn te denken dat wij hen daarom kennen. Of dat zij zichzelf aan de hand van dat feitje kunnen definiëren. Het is wel degelijk zo dat wij over het algemeen veel van onze angsten, de hoop, het verlangen, het heimwee en de vertwijfeling in ons leven van onze ouders hebben geërfd. Wij leren immers in eerste instantie door hun ogen naar de wereld te kijken. Maar dat wil niet zeggen dat wij de slaven zijn van onze kindertijd. Wij hoeven niet Jans-zoon, Pieters-zoon, Sven-son of Iwano-witsch te blíjven heten.

 

Op een gegeven moment mogen wij in die bron waaruit Jezus leeft onze wáre Vader ontdekken. Aan die bron zijn wij ontsproten. Daarna is er van allerlei voorgevallen. Er is van alles aan ons gaan kleven. Met het verstrijken van de jaren is de bron vrijwel dichtgeslibd. Maar van het ene op het andere moment krijgen zij weer toegang tot de bron. Dat leidt ertoe dat er zich zoveel ruimte en vrijheid aandient, zoveel kracht ook en een besef verbonden te zijn met alles en iedereen, dat zij eigenlijk als vanzelf alles loslaten, behalve dát, het contact met die bron. Zij willen trouw blijven aan wat hen hier letterlijk overkomt!

 

Ik weet van iemand die goed opgeleid is, een prima baan heeft, niets mankeert, maar die als het erop aankomt bang is, op het paniekerige af. Op een gegeven moment is hij gaan begrijpen dat die angst bestaansangst is. Angst dat hij er móet zijn. Angst dat hij er misschien wel niet mág zijn. In ieder geval angst dat hij niet zo mag zijn zoals hij zo graag zou willen zijn – voor zover hij nog weet heeft van wie of wat hij zou willen zijn of worden. Veel te lang heeft hij zich schuilgehouden in een leven waarin hij als het erop aankomt niet langer kan geloven. Ook hij loopt verwachtingsvol langs de zee in de hoop dat wat hem komt aangewaaid ook hem zal sterken en zal helpen zichzelf anders te gaan zien en ervaren.

 

Een islamitische mysticus vroeg eens aan zijn leerlingen waarin de ware godsvrucht gelegen is. De leerlingen antwoordden: ‘In dat wij God liefhebben.’ De leraar schudde zijn hoofd: ‘Nee, daarin is de ware godsvrucht niet gelegen, dat wij God liefhebben. Wie zegt: “Ik heb God lief”, is afhankelijk en dus onvrij. Nee je moet zeggen: “Ik geloof met heel mijn hart dat God mij lief heeft.” Daarin is de ware godsvrucht gelegen. Wie weet dat er van hem wordt gehouden is een vrij mens.’ En precies die ervaring, dat besef of die kennis hoopt de man waarover ik u vertel in zichzelf te verankeren.

 

Ik zal u tot vissers van mensen maken. Vissers van mensen moeten jullie zijn, zei Jezus. Eerlijk gezegd heb ik altijd een beetje de pest aan deze opmerking van Jezus. Hij werd en wordt zo dikwijls opgevat als een oproep tot hijgerige en doenerige vormen van zending en evangelisatie. Daarbij heb ik, op z’n zachtst gezegd, mijn bedenkingen. Ik kan mij niet voorstellen dat dat is wat Jezus hier bedoelt. Een visser zou zijn werk immers teniet doen als hij met veel lawaai de vissen in zijn net probeert te krijgen. Net zomin bereikt je mensen in hun wezen wanneer je hen druk en met grote woorden tegemoet treedt. Er leidt maar één weg naar het hart van mensen en dat is luisteren. Luisteren, net zo lang tot je God er in ontdekt. Dat een visser van mensen zijn is daarom welbeschouwd meer een kwestie van ontvangen dan van geven. Alleen wie zich werkelijk openstelt voor een ander kan bij die ander een licht doen opgaan waaraan hij of zij gehoorzaam wil blijven. Met moeite, aarzelend, met pijn ook, maar toch, gehoorzaam aan het licht!

 

Wat ik hier allemaal vertel, is misschien uitnodigend mooi maar het is, als het erop aankomt, toch vooral een fantasie, een wensdroom. Want wellicht vanmiddag al, maar zeker morgen gaan wij weer over tot de orde van de dag en wordt van ons weer verlangd dat wij ons voegen naar de regels van het spel. Dan leggen we weer andere accenten. Dan worden we weer de vissers die we waren. Of de boekhouders. Of de managers. Of de onvolgroeide, afhankelijke kinderen van onze ouders. Dan lopen wij het risico opnieuw het product te zijn van waar we vandaan zijn gekomen. Van onze opvoeding, van wat we onderweg aan kennis hebben opgedaan, van de moeite die wij te verstouwen kregen en noem maar op.

 

Daarom kunnen we stellen dat ons leven zich afspeelt in het spanningsveld tussen het één en het ander: tussen de rollen die wij te spelen hebben én dat geheimenisvolle weten dat diep in ons verankerd ligt. Daarom is het zo wezenlijk dat wij keer op keer opnieuw niet alleen naar deze en dergelijke verhalen luisteren maar ook dat wij onvermoeibaar onze gevoeligheid voor de kunsten koesteren. En dat dan niet omdat wij daarmee die spanning ten gunste van de weten hopen uiteindelijk op te kunnen oplossen want het is maar de vraag of wij dat zouden moeten willen. Wanneer en waar die spanning zich oplost, gaat dat ten koste van onze verbondenheid en solidariteit met wie vergeefs hoopt op die zacht ruisende wind van de overkant van het water. En bovendien zouden wij een aspect van onszelf verwaarlozen of zelfs ontkennen. Wij zijn nu eenmaal geen mannen en vrouwen uit één stuk. Het komt erop aan dat deze verhalen en de kunsten de spanning er in houden. En dat doen zij omdat zij onophoudelijk en onvermoeibaar getuigen van de mogelijkheid de ban van en de verslaving aan wat overdag onze dagen vult te doorbreken. En daar van de mogelijkheid om los te komen van een angstig en krampachtig bestaan.

Amen

 

gebed

Wij zijn dankbaar dat wij hier

veilig en geborgen

bij elkaar zijn

en uiting kunnen geven aan

onze dromen en fantasieën.

 

De aanraking door de wind van de overkant van het water

nodigt ons uit om af te zien

van lijfsbehoud

en los te komen van een vervreemdend bestaan.

 

Aan uw hand

kunnen wij opstaan uit onze onmacht

en onze schuld.

 

Aan het begin van de week waarin 4 en 5 mei vallen,

betrekken wij daarin de slagschaduw van de herinneringen

aan wat zich in de jaren ’40 – ’45 heeft afgespeeld.

Wij bidden voor onze Koning en zijn huis,

en voor onze hele regering

dat voor hen mag gelden dat zij

in het complexe spanningsveld waarin zij hun taken vervullen

de verbeelding en de humaniteit

een leidende rol zullen toebedelen.

 

Zet ieder van ons

op een spoor,

dat dwars door alle afweer heen,

leidt naar een volkomen nieuw vertrouwen

in het van u ontvangen bestaan.

Amen